Hart voor Waddinxveen


(1) Lezing gehouden op 3 september 2010 over "De zaligsprekingen" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
donderdag, 04 november 2010 15:31

Wij lezen uit Mattheüs 5, de eerste twaalf verzen. Zestig lezingen lijkt me wel wat veel over de bergrede maar ik vind dat toch wel een heel bijzonder voorrecht om het in negen avonden te mogen doen. Pas geleden, op de Betteld, heb ik het in drie keer mogen doen en toen had ik toch echt het gevoel: het is een beetje jakkeren. Dus nu mag ik elk van die drie weer nader in drie onderverdelen. Wij lezen Mattheüs 5: 1-12 en ik doe dat uit de minst slechte vertaling die ik ken: de Telosvertaling. "Toen Hij nu de menigte zag klom Hij op de berg en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en Hij opende Zijn mond en leerde hen aldus: gelukkig de armen van Geest want van hen is het koninkrijk der hemelen. Gelukkig zij die treuren want zij zullen vertroost worden. Gelukkig de zachtmoedigen want zij zullen de aarde beërven. Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid want zij zullen verzadigd worden. Gelukkig de barmhartigen want zij zullen barmhartigheid verkrijgen. Gelukkig de reinen van hart want zij zullen God zien. Gelukkig de vredestichters want zij zullen zonen van God worden genoemd. Gelukkig zij die worden vervolgd ter wille van de gerechtigheid want van hen is het koninkrijk der hemelen. Gelukkig bent wanneer zij u smaden en vervolgen en liegend allerlei kwaad van u spreken ter wille van Mij, verblijdt en verheugt u want uw loon is groot in de hemelen want zo hebben zij de profeten vervolgd die voor u geweest zijn." Tot zover lezen wij vanavond.

U begrijpt het wel dat het heel belangrijk is dat we een aantal inleidende opmerkingen over de bergrede maken om goed te zien wat wij hier hebben en vooral wat we hier niet vinden. Het in het kader te plaatsen van het hele Mattheüsevangelie dat is wel het allereerste. Mattheüs is het evangelie van de Koning zoals Markus van de dienstknecht en Lukas van de Zoon des mensen Johannes het evangelie van de Zoon van God. Mattheüs heeft het doel ons te laten zien dat de Here Jezus de Koning is volgens de oudtestamentische profetieën. Dat Hij die profetieën nauwkeurig vervult en heeft vervuld om elke Jood te overtuigen dat Hij werkelijk is wat Hij ook zelf claimde te zijn: de Messias, dat is de gezalfde Koning van Israël. Mattheüs wil ons ook laten zien waarom die Koning momenteel afwezig is want dat hadden profeten in het Oude Testament niet voorzegd en voorzien. Zij rekenden erop dat de Messias zou zitten op de troon van Zijn vader David, dat de vijanden verdreven zouden zijn en dat de wereld vanuit Sion geregeerd zou worden en vervuld zou zijn met vrede en gerechtigheid. En Mattheüs maakt duidelijk dat dat komt doordat Zijn eigen volk Hem verworpen heeft. "Wij willen niet dat deze koning over ons is" hebben ze voor Pilatus geroepen. En dan zie je op een bepaald moment, met name in hoofdstuk 13, dat is echt het keerpunt in het evangelie nadat in hoofdstuk 11 en 12 het volk Hem heeft verworpen, de geestelijke leiders Hem hebben verworpen en eigenlijk ook Zijn eigen familie Hem heeft verworpen. Daar zie je dat de Here Jezus zich nu wendt tot de hele wereld. De akker is de wereld zegt de gelijkenis van het onkruid en de tarwe. Het sleepnet wordt uitgegooid in de hele zee. Dat is de volkerenwereld in Mattheüs 13. Dat is van enorme grote betekenis. Mattheüs wil daarmee duidelijk maken waarom het evangelie nu tot alle volken is gekomen en niet langer beperkt is tot Israël. Maar ook waarom het Koninkrijk er nu niet zo uitziet als dat oorspronkelijk de bedoeling leek. En hij laat zien dat dat allemaal wel komt maar pas bij de wederkomst van de Zoon des mensen. Dan zal dat Koninkrijk in vervulling gaan zoals de profeten het hebben aangekondigd. En in die tussentijd bestaat dat Koninkrijk van God in een verborgen vorm. Verborgen omdat de Koning zelf verborgen is. Afwezig is Hij, zoals de gelijkenissen zeggen: hij is als een mens die buitenslands reisde om daar een koninklijke waardigheid voor zich in ontvangst te nemen. Daar is de Here Jezus nu. En intussen vertrouwt Hij dat Koninkrijk toe aan Zijn slaven. Hij geeft ze talenten, Hij geeft ze ponden in Lukas 19 en daarmee moeten ze aan het werk gaan. En daarbij geeft Hij aan de ene kant hun de kracht van de Heilige Geest. Aan de andere kant zullen ze ook te maken krijgen met vervolgingen en verdrukking. Als met de Here Jezus zo gehandeld hebben dan handelt de wereld ook zo met de volgelingen van de Here Jezus.

 

In Mattheüs 2 zie je al dat God de wereld op het oog heeft. Daar niet de herders in het veld maar daar de wijzen uit het Oosten die vragen: waar is de geboren Koning der Joden? Niet Israël stelt die vraag maar nota bene mannen uit het verre Oosten. Heidense mannen hebben meer belangstelling voor de Koning der Joden dan het volk Israël zelf. De goede niet te na gesproken. En dat zet al meteen de toon voor dat hele evangelie. Want nogmaals: Mattheüs wil ook de Joden winnen. Maar dan moeten ze wel begrijpen waarom het Koninkrijk nu zo geworden is als het is. En waarom nu de volgelingen van de Here Jezus vervolgd en verdrukt worden terwijl ze ook tegelijkertijd in de kracht van de Heilige Geest te werk mogen gaan zoals Hij dat heeft gedaan. Er is zowel kracht als lijden. Triomf maar ook vervolging. Het is beide aanwezig. Er is de krachten van de toekomende eeuw zoals Hebreeën 5: 6 het zo mooi zegt maar er is ook vervolging. En na de eerste inleidende hoofdstukken, hoofdstuk 3 en 4, daar horen we eerst Johannes de Doper optreden met de boodschap: bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Even tussen twee haakjes: het Koninkrijk der hemelen en het Koninkrijk Gods is exact hetzelfde. Sommigen proberen fijnzinnige verschillen aan te geven. De hemelen dat is eenvoudig een verzachtende uitdrukking voor God. Als je de naam van God wilt vermijden dan zeg je: de hemel regeert. Of: ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u maar je bedoelt gewoon God. Als je de parallelteksten bekijkt in Mattheüs enerzijds en Markus en Lukas anderzijds dan zie je dat ze vaak exact hetzelfde luiden behalve dat ene verschil: Mattheüs zegt: Koninkrijk der hemelen. Markus en Lukas zeggen: Koninkrijk Gods. Dus daar houden we ons verder niet mee bezig; het gaat om één en hetzelfde.

Als Johannes de Doper zijn prediking gebracht heeft en gevangen is genomen dan komt de Here Jezus met precies diezelfde prediking. Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. En dan heel spoedig horen we over Zijn doop in de Jordaan waarmee Hij zich één maakt met die mensen in Israël die met belijdenis van hun zonden zich voor God verootmoedigen en daarmee te kennen geven dat zij ook willen behoren tot dat Koninkrijk dat nu nabij is. In besef dat ze daarvoor geschikt gemaakt moeten worden en dat kan alleen langs de weg van de belijdenis en de vergeving. En dat brengen ze in die doop tot uitdrukking. Het is een doop der bekering tot vergeving van zonden. En hoe merkwaardig dat ook is, Johannes verbaasde zich erover, maar de Here Jezus maakt zich één met dat getrouwe overblijfsel van Israël doordat Hij zich ook laat dopen. En op dat moment ontvangt Hij de Heilige Geest. Hij was geboren uit de Heilige Geest maar hier ontvangt Hij als mens de Heilige Geest die in Hem komt wonen, op Hem komt wonen, precies zoals dat later met de gelovigen het geval zou zijn. En dan zie je dat de Here Jezus in de kracht van die Heilige Geest als allereerste de confrontatie moet aangaan met de duivel. Dat wordt beschreven in Mattheüs 4. Want dat Koninkrijk van God dat Hij aankondigt, dat gaat zich realiseren in een wereld waar allang een ander koninkrijk bestaat. In Mattheüs 12 zegt de Here Jezus dat satan ook een koninkrijk heeft. Hij laat zien dat koninkrijk kan niet tegen zichzelf verdeeld zijn, dan zou het zichzelf te gronde richten. De Here Jezus maakt daarmee duidelijk dat Hij niet door Beëlzebul de demonen uitdrijft want dan zou Hij tegen zichzelf zijn. Nee, daar is het rijk van het Licht en het rijk van de duisternis. Het rijk van de dood en het rijk van het leven. Het rijk van de liefde en het rijk van de haat. Het rijk van God en het rijk van satan. En als de Here Jezus in deze wereld waar de satan de overste van is, zoals de Here Jezus dat drie keer in het Johannesevangelie zegt, Zijn rijk wil vestigen dan zal Hij de macht die satan heeft moeten trotseren. En daarom moet Hij die confrontatie aangaan met als hoogtepunt dat de duivel Hem alle koninkrijken van de wereld laat zien en zegt: ze zijn aan mij gegeven. Bij Lukas zie je dat nog wat duidelijker. Ze zijn aan mij gegeven en ik geef ze aan wie ik wil en dat spreekt de Here Jezus niet tegen want de duivel is de overste van de wereld. Maar de duivel wil Hem verleiden om door een knieval voor hem te maken, die koninkrijken te veroveren. Maar dan natuurlijk wel onder de opperheerschappij van de satan. En dat weigert de Here Jezus. Hij weerstaat al die verzoekingen. Hij komt er glansrijk uit te voorschijn. Integendeel, daar begint misschien al wel dat binden van satan waar Hij het later over heeft. Als je iemands goederen wilt roven dan moet je eerst de sterke binden en dan pas kun je zijn huis ingaan en zijn goederen ontroven. In zekere zin kun je daar misschien al zeggen dat de satan gebonden is. Nog niet verslagen, dat komt pas op het kruis maar gebonden zodat de Here Jezus dan vanaf dat moment, en dat zie je dan in het vervolg van dat hoofdstuk, kan optreden in de kracht van God om nu dat rijk van de duivel te weerstaan en Gods kracht te manifesteren in bekeringen, genezingen en bevrijdingen, demonen uitdrijven. Maar dat komt eigenlijk pas later verder aan bod. In hoofdstuk 8 en 9 wordt zeer uitvoerig een aantal wonderen van de Here Jezus beschreven. Ik was pas ergens waar iemand zei: de Here Jezus is in Mattheüs de Messias van het Woord en de Messias van de daad. In hoofdstuk 5 tot 7 is Hij de Messias van het Woord. In de bergrede zoals we die noemen. En pal daarop in hoofdstuk 8 en 9 vind je de Messias van de daad. Het ene genezingswonder na het andere wordt daar beschreven. Hij spreekt met kracht maar Hij handelt ook met kracht.

Nu moeten we goed begrijpen hoe die prediking van de Here Jezus was en dat zien we hier al in de eerste verzen van hoofdstuk 5. "Toen Hij nu de menigte zag, klom Hij op de berg." Voordat ik verder ga, die berg speelt wel een belangrijke rol in dit evangelie. Het is misschien niet altijd dezelfde berg maar dat doet er niet toe. Hij wordt wel steeds genoemd: de berg. Dit is de berg van de zaligsprekingen zoals we die noemen en zoals die in Galilea tot op de dag van vandaag aangewezen wordt. Misschien bent u daar weleens geweest. Al kunnen we er natuurlijk nooit honderd procent zeker zijn dat dat de plek is. In hoofdstuk 15 horen we over een berg die je zou kunnen aanduiden als de berg van de zegeningen van de Messias. In hoofdstuk 17 hebben we de verheerlijking op de berg waar we een voorsmaak hebben van het messiaanse vrederijk: Christus met Zijn verheerlijkte heiligen en de discipelen op aarde. En ten slotte in hoofdstuk 28, na Zijn opstanding, roept hij de discipelen bij elkaar ook weer op de berg in Galilea. Nu om hen eropuit te zenden met het grote zendingsbevel uit te gaan naar alle volkeren. Hier is de berg de plaats waar Hij Zijn discipelen onderwijs gaat geven. Ik zeg Zijn discipelen want dat onderscheid is hier heel belangrijk. Hij ziet de menigte, gaat zitten en dan komen Zijn discipelen naar Hem toe. En Hij opende Zijn mond en leerde hen aldus. Dit is heel belangrijk; dit is onderwijs voor discipelen van de Here Jezus. Maar het is geen geheim onderwijs. Iedereen mag het horen. De menigte luisteren toe want iedereen in de menigte zou immers ook een discipel van Jezus kunnen worden. Dus het is open voor iedereen. Later verandert dat. In Mattheüs 13 gaat de Here Jezus spreken in gelijkenissen en daarmee zegt Hij dit: die gelijkenissen zijn om de waarheden van het Koninkrijk te verbergen voor de menigte. De gelijkenissen, als ze tenminste uitgelegd worden en door de Heilige Geest verstaan worden, maken de dingen van het Koninkrijk alleen maar duidelijker voor de discipelen maar voor de menigte worden de dingen daarmee extra verhuld. Hoe komt dat? Waarom moet dat? Vanwege dat grote keerpunt. Tot de menigte spreekt de Here Jezus in gelijkenissen. Aan Zijn discipelen legt Hij de gelijkenissen uit of Hij vertelt ze rechtstreeks wat Hij op Zijn hart heeft. Hier is dat nog niet zo. Het is onderwijs voor de discipelen maar iedereen mag luisteren en toehoren. Dit is belangrijk en ik zal u een aantal redenen vertellen waarom het belangrijk is.

In de eerste plaats: wat wij in de bergrede hebben is geen politiek programma. Ooit was er een evangelische volkspartij in Nederland, van allemaal heel idealistische christenen, vast allemaal ontzettend aardige mensen die onder andere de bergrede wilden gebruiken als uitgangspunt voor een politiek programma. Heel sympathiek en helemaal verkeerd. Stel u eens voor dat we werkelijk een samenleving zouden hebben waarbij wij van de overheid verwachten dat als iemand die overheid een klap op de wang geeft dat die overheid zo iemand de andere wang toekeert. Zo'n samenleving zou in de kortst mogelijke tijd in elkaar storten. De overheid is volgens Romeinen 13 geroepen om het kwade te bestraffen en het goede te belonen. De overheid is tot rechter en bestuurder aangewezen. Wat we hier vinden in deze hoofdstukken is geen opdracht, geen taak voor de overheid maar juist voor individuele discipelen. Wat de overheid nooit mag doen, namelijk de boosdoeners de andere wang toekeren, dat moeten discipelen van Jezus nu juist wel doen. Want je kunt de omgekeerde fout maken en rechtertje gaan spelen door middel van wraak en de gepaste straffen. Nee, dat moeten ze aan de overheid overlaten. We komen dat later nog wel verder tegen in dit hoofdstuk als het gaat om het oog om oog, tand om tand in vers 38, maar dat duurt nog een hele tijd maar daar hebben we datzelfde. Oog om oog, tand om tand is een opdracht van de overheid. Dat is recht laten wedervaren. Straf in de zin van vergelding. Maar het geldt beslist niet voor ons gedrag naar elkaar toe. Dat is een grote fout. En het is belangrijk om dat hier aan het begin al even te noemen. Dit gaat over het gedrag van discipelen, niet over het gedrag van het Nederlandse volk waarvan een grote deel, het overgrote deel, helemaal geen discipelen van de Here Jezus zijn.

Ten tweede, ook dat is van belang om te onderscheiden, het gaat hier niet om de grondwet van, ik zou het wel de grondwet van het Koninkrijk willen noemen, maar niet de grondwet van dat Koninkrijk zoals het straks zal bestaan in macht en majesteit in vrede en gerechtigheid nadat Christus is teruggekomen. Dat Koninkrijk heeft ook een grondwet nodig. Daar heb je andere Schriftgedeelten voor. Nee, dit is de grondwet van het Koninkrijk in de vorm waarin het momenteel bestaat, namelijk: een Koninkrijk dat nog in voortdurend conflict is met de machten van satan. Dat zal straks als Christus is wedergekomen, niet het geval zijn. Dan wordt de satan duizend jaar gebonden en in de put van de afgrond geworpen. Maar nu heeft hij nog redelijk vrij spel. Hij gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden zegt 1 Petrus 5 en daarom zien we ook dat deze hoofdstukken veronderstellen dat de discipelen het daar moeilijk mee hebben. Deze hoofdstukken spreken van vervolging en verdrukking, van verwerping. Dat slaan op de wang dat is maar één vorm daarvan en er zijn meerdere van dat soort voorbeelden.

Een derde punt is: de bergrede is niet bedoeld voor de evangelieverkondiging. Laat ik even daar duidelijk over zijn, nu spreek ik als leraar. Evangelisten mogen elk deel van de Bijbel gebruiken om mensen tot de Here Jezus te leiden. Dat is het heerlijke van de evangelisten; die hoeft zich daar nooit zoveel over te bekommeren. Die kan elk gedeelte van de Bijbel gebruiken. Als de mensen maar tot Christus geleid worden. Ik zeg het nu wat overtrokken. Maar leraren mogen zich dat niet permitteren; die behoren vast te stellen wat de tekst in eerste instantie betekent. Nou, dit is geen evangelie voor zondaren. Het gaat trouwens ook helemaal niet over het zondeprobleem en de oplossing van het zondeprobleem. Het gaat hier niet over verlossing. Over al die dingen die wij eigenlijk zo belangrijk vinden in het evangelie en dat is ook heel begrijpelijk. Het gaat hier ook niet over de waarheid van de gemeente van God, dat komt pas in Mattheüs 16. Het gaat hier zelfs niet over Heilige Geest. Hoewel de Heilige Geest in zekere zin voortdurend verondersteld wordt hier. Want alles wat hier aan ons wordt voorgehouden kan alleen maar volbracht worden in diezelfde kracht waarmee de Here Jezus sprak en handelde. De kracht van de Heilige Geest. Maar de Geest wordt hier niet genoemd. Dus het is erg belangrijk om te zien wat er allemaal niet genoemd wordt in de bergrede. En dat is helemaal geen punt want dat wordt op andere plaatsen in de Schrift genoemd. De bergrede is onderwijs voor discipelen, voor volgelingen van de Here Jezus. En daar moet ik nog wat dingen over zeggen.

We lezen in Mattheüs 24:14 dat het evangelie van het Koninkrijk gebracht zal worden aan alle volkeren en als dat gebeurd is dan zal het einde zijn. Het einde betekent daar de wederkomst en de vestiging van het messiaanse rijk. Daar staat het evangelie van het Koninkrijk. Dat wordt meestal niet gepredikt. In westerse traditie, of je nou katholiek of protestant bent, dat maakt weinig verschil. Daar horen we gewoonlijk het evangelie van Gods genade voor arme zondaren. Dat is een heel belangrijk evangelie en dat moet ook vooral gepredikt blijven worden. Maar het is eenzijdig. Het is het evangelie van Lukas 24 waar de Here Jezus Zijn discipelen opdraagt om eropuit te gaan en te prediken bekering en vergeving van zonden. Het evangelie van Markus 16, waar gezegd wordt: deze tekenen zullen de gelovigen volgen, in Mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, nou daar hoor je al aanzienlijk minder over. En Mattheüs 28 horen we ook heel weinig over. In deze tegenwoordige tijd verandert dat gelukkig. Want in Mattheüs 28 worden de discipelen opgewekt om het evangelie van het Koninkrijk te verkondigen. Wat betekent dat? Mensen te maken tot volgelingen van Jezus. Er wordt helemaal niet over zonden gesproken. Er wordt helemaal niet over bekering gesproken. Wat er staat is: daag mensen uit volgelingen van de Here Jezus te worden. Hij is de Koning. "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde", zegt Hij daar. Dat is de boodschap die jullie moeten brengen en jullie moeten mensen uitdagen om volgelingen van Jezus te worden. "Maak alle volken tot Mijn discipelen en dat doe je door ze te dopen en door ze te onderwijzen al wat Ik u geboden heb." Want Hij is een Koning, Hij moet nagevolgd worden dus je moet luisteren naar wat Hij gebiedt. Je moet de wet van Christus leren kennen. Dat is de wet van het Koninkrijk. En daar moet je je aan houden. En dat kan ook door de kracht van de Heilige Geest en door de liefde van God die in je hart is uitgestort. Maar daar gaat het om. Dat is het evangelie van het Koninkrijk. En, die twee evangeliën, je zou ook kunnen zeggen, het zijn twee kanten van hetzelfde evangelie, ik ga het niet uit elkaar spelen maar ze zijn toch wel aardig verschillend. Het evangelie van Gods genade gaat over de vraag: hoe kom ik in de hemel? Het evangelie van het Koninkrijk gaat over de vraag: hoe kom ik de aarde door? Het evangelie van de genade gaat over de vraag: hoe word ik een kind van God? Het evangelie van het Koninkrijk gaat over de vraag: hoe word ik een volgeling van de Here Jezus? Nou, zo kan ik nog wel even doorgaan want de verschillen zijn behoorlijk groot. En wat we nu zien, dat zien we in de theologie, we zien het in de prediking, we zien overal, en daaraan kun je ook zien dat het de eindtijd is dat God mensen aandacht vestigt op het evangelie van het Koninkrijk. Zonder dat andere evangelie te verwaarlozen maar dit moet er absoluut bij. En weet u waarom dat zo belangrijk is, omdat als je alleen het evangelie van Gods genade verkondigt dan loop je het gevaar, het hoeft niet perse, maar je loopt gevaar dat mensen denken: als je nou maar werkelijk mag geloven dat de Here Jezus voor jouw zonde gestorven is dan ga je naar de hemel en dan is alles voor elkaar. Vooral omdat het gewoonlijk verbonden wordt met de leer dat er geen afval der heiligen is, wat ik trouwens ook geloof, maar het kan ook een soort valse gerustheid teweegbrengen. Allemaal van die vreselijk bekeerde mensen die voor de rest vaak toch eigenlijk leven zoals ze zelf willen want ze zijn toch bekeerd en ze gaan naar de hemel. Dat is heel eenzijdig. Als ze het evangelie van het Koninkrijk zouden kennen dan zouden ze weten dat de tijd tussen hun bekering en de tijd dat ze de eeuwigheid binnengaan ook ontzettend belangrijk is. Want je leeft niet voor jezelf, zegt Paulus, wij zijn des Heeren. Wij leven niet voor onszelf en we sterven niet voor onszelf, wij behoren de Heer toe. In die kwaliteit, als Heer. Als de Heer van ons leven, als degene die heerschappij oefent. Dat is het Koninkrijk. En hier in deze bergrede horen we de Here Jezus als de Koning dat onderwijs geven waarvan de laatste woorden spreken in dit evangelie. Leer ze te onderhouden al wat Ik u geboden heb. Nou hier staat het. Dus is onderwijs voor discipelen van de Here Jezus; dit gaat niet over de vraag: hoe word je er één? Dit is de vraag van: als je nou één bent, hoe moet je dan leven? En voordat de Here Jezus begint te vertellen hoe een mens behoort te leven als discipel van het Koninkrijk, begint Hij met ze eerst gelukkig te prijzen. Hij begint met bemoediging. Hij begint niet meteen met wetten en geboden en regels, die komen ook. Die messiaanse Thora, die wet van Christus is heel belangrijk. Daar gaat de bergrede over maar Hij begint met negen zaligsprekingen zoals we dat traditioneel noemen. Maar zalig, dat is tegenwoordig een zalig toetje. Moderne mensen begrijpen dat soort woorden niet meer. Daarom, vandaag aan de dag zeggen we: gelukkig. Ik ben benieuwd wat de Herziene Statenvertaling daarvan zal bakken. Maar met welgelukzalig kun je de mensen niet meer bereiken tenzij je in dat jargon bent groot geworden. Hier gaat het over geluk. Hier gaat het over het grootste geluk voor een mens.

En dan moet ik u nog iets vertellen. De bergrede is helemaal niet bekend, hoor. Ja, we kennen hem wel maar hij past eigenlijk toch niet zo goed in onze sjablonen. Want als wij het hebben over geluk, als wij het hebben over gelukzaligheid, negen van de tien christenen en waarschijnlijk meer dan dat, vijfennegentig van de honderd die denken aan de gelukzaligheid van het paradijs, van de hemel. De leer der toekomende dingen is voor de meeste mensen zo eenvoudig, die kunnen ze op één vingernagel schrijven. Als je in de Here Jezus gelooft en je gaat sterven dan ga je naar de hemel. En als je dan vraagt: ja maar, er is toch ook nog een wederkomst van Christus? Ja, maar dat is heel ver weg. Dat is aan het einde der tijden. Hun vooruitzicht is dat ze naar de hemel gaan. Ja, maar er is toch ook nog ergens een opstanding der doden? Ja, maar dat ligt allemaal een beetje ver buiten hun gezichtsveld. Het gaat erom dat je mag weten dat je naar de hemel gaat. Nou, als ik het wat kras mag uitdrukken, u moet mij maar vergeven, maar mijn ervaring is dat dan de mensen het het best onthouden. Dat is helemaal niet de verwachting van de christenen. Als ik al kras uitdruk dan zou ik zeggen: naar de hemel gaan is geweldig voor die mensen die de pech hebben te sterven voordat de Koning komt. Maar op de hemel zit je niet te wachten. Gelovigen die het Nieuwe Testament kennen die wachten op de wederkomst van Christus. Het enige De uitzondering is in Lukas 23, waar de moordenaar of de boosdoener aan het kruis zegt: als U straks in Uw Koninkrijk komt – hij denkt dan al: de Here Jezus zal sterven maar zal vast ook weer opstaan en bij ons terugkomen en Hij zal het Koninkrijk vestigen en hij wil er ook graag bij zijn. Tegen hem wordt als troost gezegd, want het Koninkrijk zou nog heel lang duren, het is nog steeds niet gekomen, dat hij vandaag al met Christus in het paradijs zal zijn. Dat is een geweldige troost. Maar dat wil nog niet zeggen dat dat de christelijke verwachting is. Paulus zegt: als ik moet sterven dan is dat heel mooi want met Christus te zijn is verreweg het beste. Maar dat was niet Paulus' verwachting. Wij verwachten de Zoon van God terug uit de hemelen zegt hij in 1 Thessalonicenzen 1. Wij verwachten de gelukzalige hoop en verschijning van onze Here Jezus Christus zegt hij in Titus 2. Ook daarin zijn katholieken en protestanten weer meer overeenkomstig dan je denkt. Ik ontdek steeds meer dat katholieken en protestanten steeds meer dingen gemeenschappelijk hebben waarvan je eigenlijk moet zeggen: dat is scheefgroei. In de oosterse kerk is dat ook heel anders vaak. En dat is hier ook zo, als je sterft ga je naar de hemel en daar gaat het maar om. De hemel is de tussentoestand noemen we dat, tussen sterven en opstanding. De hemel is een heerlijke plaats voor het geval dat je zou sterven voordat de Koning komt, maar het is niet je verwachting. Nergens in deze drie hoofdstukken gaat het over de gelukzaligheid van de hemel. Er is geen enkele plaats in het oude testament, ik zeg u dat vast uitdagend, dan krijg ik straks vanzelf de briefjes met de zogenaamde uitzonderingen, geen enkele maal in het oude testament wordt over de gelukzaligheid van de hemel gesproken. En in het nieuwe testament drie of vier keer. Maar er wordt vele, vele, vele malen gesproken over de gelukzaligheid van de wederkomst van Christus. Een discipel van Jezus kijkt uit naar de komst van de Meester. Maar hij weet als hij voor die tijd zou sterven dat hij een heerlijke plaats heeft waar hij in die tussentijd mag verblijven tot op de opstanding van het lichaam. En hij weet dat de gelovigen in het paradijs hetzelfde doen als de gelovigen op aarde, namelijk wachten op de wederkomst. Want die gelovigen in het paradijs hebben ook het einde niet bereikt. Ze zijn het lichaam ook nog kwijt, dus ze wachten op de opstanding. Op het zoonschap wordt er gezegd in Romeinen 8, dat is de verlossing van het lichaam, dat is bij de opstanding van Christus. In de Bergrede gaat het, als de gelovige, als de discipel iets moois in het vooruitzicht wordt gesteld, over het komende koninkrijk. Daarom staat er in vers drie: Gelukkig de armen van geest, want van hen is de hemel, nee, het kóninkrijk der hemelen. Ja, dat moet je er ook nog bij vertellen want op allerlei punten, je vindt het al bij Luther, als hij het heeft over het Himmelreich, dan denkt men dat dat de hemel is. Een enkele maal, in de kanttekeningen van de Statenvertaling kwam ik het ook tegen, niet vaak, die gedachte dat het koninkrijk der hemelen toch eigenlijk hetzelfde is als de hemel. Dat is wel begrijpelijk. Het koninkrijk der hemelen daar zit het woord hemel al in. Maar het koninkrijk der hemelen is een koninkrijk, een hemels koninkrijk op aarde. Dat wisten de kerkvaders in het algemeen al. Hier en daar is die gedachte verloren gegaan als teveel nadruk werd gevestigd op het paradijs, maar het koninkrijk der hemelen, ik zeg het nog eens, is een hemels koninkrijk op aarde. Het breekt aan als Christus op aarde terugkeert. Als zijn voeten zullen staan op de Olijfberg en Sion het middelpunt van de wereld zal worden. Het is hemels omdat de Koning van dat rijk uit de hemel komt. Het is hemels omdat daar het plan van dat koninkrijk geboren is. Omdat van daar uit dat koninkrijk bestuurd zal worden. Maar de plaats van dat koninkrijk is hier op aarde.

Zalig zijn de armen van geest. Lucas 6 zegt merkwaardigerwijs: zalig zijn de armen. Lucas heeft een heel ander programma en daar ga ik u niet over lastigvallen, anders komen we nooit door die zaligsprekingen heen op deze manier. Hier gaat het over de armen van geest. Dat is de eerste voorwaarde. Je kunt rustig zeggen van al deze negen voorwaarden, dat je daarin het beeld van de Here Jezus kunt herkennen. Zalig de discipel die aan deze negen voorwaarden voldoet. Hij lijkt op de Meester. Maar juist bij dat eerste lijkt er een uitzondering. Want degene die arm van geest is, is juist degene die bij God komt en niets van zichzelf heeft. Later zegt de Here Jezus dat in de gelijkenissen zo mooi: de genodigden hebben zoveel. Ze hebben een span ossen gekocht of een vrouw getrouwd. Ze hebben allerlei redenen waarom ze niet kunnen. Ze hebben veel te veel van zichzelf. Degene die deel krijgt aan het koninkrijk dat zijn de "have nots". Dat zijn de armen, de misdeelden. Dat zijn de verschoppelingen bij de heggen en de wegen, op de kruispunten van de straten. Arm van geest zijn betekent dat je van jezelf niets meebrengt. En dat is maar goed ook, want de deur tot het koninkrijk der hemelen is zo nauw dat alles wat je van jezelf meebrengt er helemaal niet doorheen past. Daarom lezen we ook in Lucas: strijdt om in te gaan door die nauwe poort. En die strijd is een dubbele strijd. Dat is een strijd in jezelf, want je hebt de neiging om van alles mee te slepen naar binnen wat allemaal aan de ingang moet worden afgeleverd. Het is net als met die kameel door het oog van de naald. Dat oog van de naald is zo klein, daar kan net die kameel doorheen, maar de bagage niet. Strijdt om in te gaan door de nauwe poort. Je zal al je ballast moeten afleggen. Ten tweede is het een moeilijke strijd omdat er natuurlijk allerlei mensen omheen staan die proberen je daar van af te houden om het koninkrijk van God binnen te gaan. Er staat zo mooi in Jesaja 57 dat God zegt: "Ik woon in de hoge en het verhevene, maar ik woon ook bij hem die van een verbrijzelde en nederige geest is." Ik denk dat dat het dichtste komt bij wat hier genoemd wordt de armen van geest. Dat zijn de mensen die het koninkrijk der hemelen binnengaan. Niet de hemel binnengaan, daar gaat het hier niet over. Dat is ook waar, maar daar gaat het niet over. Die straks deel krijgen aan het koninkrijk. Steeds gaat het over wat mensen nu zijn, in deze tijd, en wat een voorwaarde is om deel te krijgen aan dat koninkrijk straks. En ik mag er nog wel iets aan toevoegen. Hier gaat het nergens over Gods genade, over het feit dat het allemaal maar Gods goedheid en erbarmen is dat je een mens arm van geest mag worden, hoewel dat op zichzelf volkomen waar is. Maar daar hebben we ook weer andere schriftgedeelten over. Over wat God aan een mens moet doen om hem zo ver te krijgen. Heel belangrijk zeg ik nog eens. Maar hier gaat het niet over wat God doet, maar over de verantwoordelijkheid van de discipel. Als je deel wilt krijgen aan het koninkrijk Gods dan moet je aan heel wat voorwaarden voldoen. Er staan er nog veel meer in het Mattheüsevangelie. Je moet worden als de kinderen bijvoorbeeld zegt Mattheüs 18. Nou ja, het zijn er een heleboel. Maar hier gaat het steeds om de verantwoordelijkheid van de discipel. Hoe meer je komt met je eigen inbreng, ik zou bijna zeggen met je eigen kapsones, maar ook met je eigen belasting, met je eigen prestaties, met je eigen verdienste, met je eigen grootheid, des te minder ben je geschikt om een discipel van het koninkrijk te zijn. Dan moet je eerst leeg worden van jezelf en je laten vullen met Hem. Vullen met de meester. Je kunt ook zeggen vullen met de geest maar dat ligt een beetje buiten het gezichtsveld van de Bergrede. Zeg maar meer vullen met de Koning zelf. Maar in zekere zin geldt dat ook voor de Here Jezus. Even los van het zondeprobleem was Hij toch de enige mens die in Mattheüs 11 kon zeggen wat niemand zo kon zeggen: "Leer van mij want ik ben zachtmoedig en nederig van hart." De arme van geest is ook de werkelijk nederige mens. En daarin is de Here Jezus dan toch weer voorbeeld. Als wij zouden zeggen ik ben nederig dan klinkt dat meteen al hoogmoedig. Hij kon het zeggen terwijl de mensen moesten toegeven dat het gewoon waar was bij Hem.

Het tweede is: Gelukkig zij die treuren. En nou moet u goed opletten. Want je zou geneigd kunnen zijn, als je oppervlakkig leest, dat je denkt dat alle treurende mensen op deze wereld, en dat zijn er vele, die geliefden verloren hebben, die in overstromingen hun bezittingen zijn kwijtgeraakt, allerlei mensen die treuren over allerlei nare dingen die mensen in dit leven kunnen overkomen, dat die hier worden aangesproken. Nee, nee. Ik zou willen dat het waar was, dat ik dat kon zeggen. En er is zeker een zegen voor ieder die in zijn treurnis zich opent voor de troost van de Here God, maar daar gaat het hier niet over. Het gaat hier steeds om de discipel in het koninkrijk zoals dat nu zich manifesteert en die daardoor deel mag krijgen aan het koninkrijk zoals dat straks zich zal manifesteren. En dan gaat het hier over een heel specifieke vorm van treuren. En dat zul je in de volgende punten ook nog zien. Het gaat hier om de discipel die werkelijk bedroefd is onder de stand van zaken zoals ze in deze wereld zijn. Een wereld waarin Christus alle macht heeft in hemel en op aarde maar waar tegelijkertijd zoveel in volstrekte tegenspraak tot Hem is. Waar zo weinig mensen om Hem geven. Waar zo weinig christenen zelfs een leven weigeren te leiden dat werkelijk in de navolging van Christus staat, dat tot zijn eer is. Mensen die treuren over hoe de dingen vandaag in elkaar zitten. Zelfs binnen het koninkrijk Gods. Zelfs onder de christenen. Mensen die daarover treuren zijn altijd ook mensen die verlangen naar een wereld waarin het verdriet zal worden weggenomen. Ik zal direct nog wel vaker op die tekst komen die zo prachtig is, Romeinen 14:17, waar Paulus zegt: "Het koninkrijk Gods is rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest." In de Heilige Geest, dus het gaat niet zomaar om mensen die blij zijn, of die vredelievend zijn, of die elkaar recht doen. Nee, het gaat om dat wat werkelijk uit de kracht van Gods geest is. Gerechtigheid, vrede en blijdschap. Dan kun je dus én blij zijn in de Heer en blij zijn in elkaar, en tegelijkertijd treuren over hoe het in Gods kerk gesteld is en hoe het in deze wereld gesteld is. En in dat treuren komt je geweldige verlangen openbaar naar een andere wereld. Want dat vrederijk van de Here Jezus is een rijk vol van gerechtigheid, vol van vrede, vol van blijdschap. Een wereld waarin de hele aarde vervuld zal zijn, ik citeerde straks al Jesaja 9:6. "Groot zal de vrede zijn als Hij zal zitten op de troon van David." De aarde zal vervuld zijn met zijn gerechtigheid. Dat is het koninkrijk waarnaar de ware discipel van de Here Jezus verlangt.

Gelukkig de zachtmoedigen want zij zullen de aarde beërven. Dat is een citaat uit de Psalmen. Uit Psalm 37:11, alleen daar staat in onze vertalingen ootmoedig. Ootmoedig en zachtmoedig is eigenlijk niet precies hetzelfde maar in de praktijk ligt het toch vaak dicht bij elkaar. De Here Jezus zegt: "Ik ben zachtmoedig en nederig van hart." Nederig komt overeen met ootmoedig, dus je kunt ook zeggen zachtmoedig, ootmoedig. Zachtmoedig is degene die de ander de wang toekeert als hij zelf geslagen wordt. De zachtmoedigen dat zijn de mensen die de zachtheid van Christus uitstralen. Daar moet ik een aantekening bij maken. Wij vatten dat soort termen altijd in het natuurlijke vlak op, psychologisch. En nou weten wij dat er sommige mensen zijn die een heel zachtmoedige aard hebben. Dat zouden ze ook gehad hebben als ze geen christen waren. Dat is gewoon hun karakter. Dat soort mensen zou nooit in staat zijn tot dat wat de Here Jezus doet die een eind touw neemt en daarmee het hele tempelplein schoonveegt. Bij de Here Jezus was het geen kwestie van karakter. Hij was én zachtmoedig én nederig én Hij kon het opbrengen om met een touw het tempelplein schoon te vegen. Dat was allemaal in Hem aanwezig omdat het bij Hem geen karakterkwestie was maar een kwestie van gehoorzaamheid aan zijn zender in de kracht van de Heilige Geest. Hier gaat het dus niet om mensen die van nature een zachte aard hebben. Mensen die in deze wereld misschien wel als een watje of als een eitje worden omschreven. Het koninkrijk der hemelen is niet voor de watjes en de eitjes. Het koninkrijk der hemelen is voor mensen die lijken op de Here Jezus. Die soms net zo kordaat kunnen zijn als Hij dat was. Die net zo het wee u zouden kunnen uitspreken als Hij dat deed, als het tenminste werkelijk door de geest is. Maar die ook net zo zachtmoedig zijn om, als ze op de ene wang geslagen worden ook de andere toe te keren aan de ander. De zachtmoedige is hier een geestelijke, niet een psychische eigenschap. En dan staat er: "zij zullen de aarde beërven." En dat onderstreep ik omdat het laat zien dat het hier steeds gaat om het toekomstige aardrijk. Het koninkrijk der hemelen zal straks gevestigd worden op deze aarde. Deze mensen zullen het aardrijk beërven. Nu zijn ze uitgeworpen, nu zijn ze niet in tel. In heel veel landen worden ze opgesloten, worden ze gemarteld. En ze laten dat over zich heenkomen, ze protesteren niet, ze slaan niet terug. Dit zijn de mensen die straks erfgenamen van de wereld zullen worden.

Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Dit zijn de mensen die in de eerste plaats zelf tot rechtvaardigen zijn gemaakt. Rechtvaardigen, dat is in het Hebreeuws "Tzadikim", enkelvoud "Tzadik". De rechtvaardige dat is eigenlijk de mooiste omschrijving die ik ken in de Bijbel, je zou ook nog het woord vroom kunnen noemen, de vrome, de "Chazid", en de rechtvaardige is de "Tzadik". Dat zijn de twee omschrijvingen voor de mensen van God in de Bijbel, in het oude testament zeker. De rechtvaardige lijdt onder het feit dat hij in een wereld van ongerechtigheid leeft. Hij is rechtvaardige niet alleen maar in een uiterlijke, wettische zin, in die zin dat hij zich aan regeltjes houdt, maar het zit heel diep binnenin hem. In het nieuwe testament vindt je heel wat van dat soort mensen. Jozef, de wettelijke vader van de Here Jezus, wordt een rechtvaardige genoemd. De andere Jozef, Jozef van Arimatea, wordt een rechtvaardige genoemd. De Here Jezus zelf wordt meermalen een rechtvaardige genoemd. "Heb toch niets te doen met deze rechtvaardige", zegt de vrouw van Pilatus. Dat zijn de "Tzadikim". En dat zijn mensen die per definitie lijden, want als je echt een rechtvaardige bent dan ga je er bijna aan onderdoor dat je moet leven in een wereld van ongerechtigheid. Maar er staat hier niet dat ze lijden onder de ongerechtigheid, er staat dat ze hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Dat wil zeggen vurig verlangen naar dat vrederijk wanneer de aarde vervuld zal zijn met vrede en gerechtigheid. Hongeren en dorsten dat is een vurig verlangen hebben naar een rechtvaardige wereld. Daar zit een passief element in. Ik bedoel daarmee dit dat ze heel goed weten dat die wereld pas zal aanbreken als Christus komt. Maar er zit ook een actief element in. Ze nemen er geen genoegen mee, ze niet met de armen over elkaar te wachten totdat de Here Jezus zijn koninkrijk in deze wereld zal invoeren. Nee, het zijn mensen die in hun eigen omgeving opkomen voor het recht. Voor het feit dat mensen elkaar recht moeten doen en dat ze God recht moeten doen. Dat is de rechtvaardige. Daarom zegt, ik citeer het weer Mattheüs 14:17, "daarom is het koninkrijk van God gerechtigheid in de Heilige Geest", nu al. De discipelen van Jezus betrachten de gerechtigheid alsof het de vanzelfsprekendste zaak is, terwijl er zoveel ongerechtigheid om hen heen is. Daar laten ze zich niet door van de wijs brengen. Ze blijven vurig verlangen naar een wereld van gerechtigheid maar intussen stralen ze die gerechtigheid nu al om zich heen uit. En wat staat er: "zij zullen verzadigd worden". Dat wil zeggen zij zullen ooit dat koninkrijk meemaken wanneer de aarde daadwerkelijk vol zal zijn van Gods gerechtigheid.

Gelukkig de barmhartigen want zij zullen barmhartigheid verkrijgen. Barmhartigheid is een heel belangrijk kenmerk van de bediening van de Here Jezus. Vele malen lezen wij in de evangeliën dat Hij met innerlijke ontferming werd bewogen. Hij deed zijn wondertekenen niet alleen maar om een punt te maken. Om te laten zien Ik ben de Messias en het koninkrijk Gods is aangebroken. Dat klinkt zo rationeel, zo technisch. Nee, de Here Jezus genas mensen omdat Hij met ontferming over hen bewogen was. Ontferming en barmhartigheid is wezenlijk hetzelfde. Hij had deernis met deze wereld. Hij werd met ontferming bewogen als Hij de schare gadesloeg die waren als mensen zonder herder. Dat wekte de deernis in zijn hart op. In de gelijkenissen keert dat terug en dan vooral in Lucas. De barmhartige Samaritaan die met ontferming bewogen wordt als hij een man ziet liggen die in elkaar geslagen is. De vader van de verloren zoon die met ontferming bewogen is over zijn zoon en hem in de armen sluit. En in Lucas, in de tegenhanger van de Bergrede zoals je dat in Lucas vindt wordt gezegd: "Wees dan barmhartig zoals uw hemelse Vader barmhartig is." Barmhartigheid is een kenmerk van het komende vrederijk. Daar zijn allerlei teksten voor te geven uit de profetieën van het oude testament, met name uit Jesaja. Het zal een wereld zijn waarin de barmhartigheid van God op zo'n machtige wijze ten toon gespreid zal worden. De gewisse weldadigheden van David zegt de Statenvertaling. De weldadigheden dat zijn de "Chazidim", dat is het meervoud van "Chesed", dat betekent goedertieren, ontfermend, barmhartig. Dat is wat God is. Het messiaanse rijk zal een rijk van de goedertierenheid Gods zijn. De overvloedige barmhartigheid waar Zacharias van zingt in Lucas 1. Die barmhartigheid van God waarmee Hij naar ons omziet uit de hoge. De discipelen van de Here Jezus worden daardoor gekenmerkt. In een harde wereld waarin je af en toe ook wel eens natuurlijke mensen tegenkomt met natuurlijke barmhartigheid, dat mag je niet uitvlakken, en christenen kunnen juist soms verschrikkelijk hard tegen elkaar zijn, maar de echte discipel van de Here Jezus die heeft iets wat hij niet van zichzelf heeft. Dat komt van de Heilige Geest. Maar het is een kenmerk. Hij is een barmhartig mens. Eén van de belangrijkste centrale gelijkenissen in het Mattheüsevangelie is de gelijkenis van het vergeven in Mattheüs 18. U weet wel, van die man die een geweldige schuld kwijt gescholden krijgt van een koning. Die koning is barmhartig jegens hem. Dan gaat die man naar buiten en hij pakt een ander bij de kraag die hem een fractie schuldig is van wat hij zelf aan die koning schuldig was, en dan komt dit verwijt op hem af: jij hebt zoveel barmhartigheid gekregen, kon je zelf nou niet een klein beetje barmhartigheid aan een ander betonen? Echte discipelen van de Here Jezus lijken op de Meester. Ze lijken zelfs ook op de Vader, wees dan barmhartig zoals uw Vader barmhartig is. Maar ze lijken op de Meester. Mattheüs 10:25 zegt: dat is het hoogste voor de discipel, dat hij wordt zoals de Meester. Want de Meester wist met ontferming bewogen te worden, door de kracht van de Heilige Geest. Zalig zij die barmhartigheid betrachten, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen. Zij zullen aankomen in die wereld die vol zal zijn van de barmhartigheid van God.

Gelukkig de reinen van hart want zij zullen God zien. Reinheid is ook een heel belangrijk principe in de prediking en de wonderwerken van de Here Jezus. Eén van de belangrijkste mensen die Hij genas waren melaatsen. En een melaatse wordt niet genezen, een melaatse wordt gereinigd. Hebt u dat wel eens gemerkt? Er staat nooit dat ze genezen werden, ze werden gereinigd. Dat kwam wel op hetzelfde neer, maar de nadruk lag op de reinheid. In het Mattheüsevangelie zie je keer op keer dat de Here Jezus over reinheid spreekt. En dan niet de uitwendige reinheid van het houden aan regeltjes en gebodjes zoals bij de Farizeeën en de Schriftgeleerden. Die waren als witgepleisterde graven. Prachtig aan de buitenkant en van binnen vol dorre doodsbeenderen. Nee, zegt Hij in Mattheüs 15, echte reinheid zit aan de binnenkant. Het gaat niet om wat de mond ingaat wat je verontreinigd, onrein voedsel. Het gaat om wat uit de mond uitgaat. Al die boze dingen die uit je boze hart te voorschijn komen. Dat is echte reinheid. In het oude testament vind je allerlei voorbeelden. Ik denk alleen al aan Jesaja 33, Psalm 15, waar geschreven wordt, wat zijn nou die mensen die deel krijgen aan het koninkrijk Gods. En het antwoord luidt: deze reinheid, van binnen. En weer zeggen wij, dat kan alleen God doen door zijn Heilige Geest. En u heeft volkomen gelijk. Maar hier wordt het gezien vanuit de verantwoordelijkheid van de discipel. Welgelukzalig de reinen van hart. En dan staat er één van de mooiste beloften hier, zij zullen God zien. Zij zullen God aanschouwen. Van de week hoorde ik een toespraak over Exodus 24. Zo'n prachtig, wonderbaarlijk hoofdstuk over de oudsten van Israël die de Sinaï opklimmen. En dan staat er: "en zij zagen de God van Israël en zij aten en dronken." Dat is ongelofelijk, daar kun je je niets bij voorstellen. Wat hebben zij gezien. Wat was het dat zij dat mochten zien, terwijl God later tegen Mozes zegt: "Niemand kan Mij zien en leven." Maar zij hebben er toch iets van opgevangen. In Hebreeën 12 wordt het ook gezien vanuit de verantwoordelijkheid van de discipel van Jezus. "Jaag naar de heiligheid en naar de vrede zonder welke niemand de Heer zien zal." Als mensen soms te gemakkelijk zeggen: nou ja, als je in de Here Jezus gelooft komt alles goed, dan ga je naar de hemel, dan kun je Hebreeën 12:14 citeren, daar staat: "Jaag naar heiligheid, jaag naar vrede." Jij bent een ruzieschopper, broeder. Jij jaagt helemaal niet naar vrede. Jij creëert constant onvrede en disharmonie om je heen. Jij zult de Heer niet zien. Ja, daar schrikken ze van. Want ze zijn bekeerd, ze kunnen twee uur over hun bekering vertellen. Maar het zijn ruziemakers. En Hebreeën 12:14 zegt als je niet jaagt naar de vrede, dus je moet er ook nog intensief naar streven, dan zul je de Heer niet zien. Weet u, we hebben allemaal en heel klein Bijbeltje, met al onze favoriete Bijbelteksten die passen in onze theologie. En dit soort teksten passen daar vaak niet in, daarom citeer ik ze nou eens extra. Zalig de reinen van hart want zij zullen God zien.

Gelukkig de vredestichters. Daar heb je ze weer. Niet de onrustmakers. De vredestichters. Dat is een geweldige eigenschap. Weet u, ik zei het straks, vrede is ook een eigenschap van het koninkrijk Gods. Die vrede komt straks. Straks zal de wereld vol zijn van vrede, als de Vredevorst regeert. Maar daar gaan we niet op wachten. De discipelen van de koning stralen vrede uit om hen heen. Ze hebben vrede in hun hart en dat stralen ze uit naar anderen. Het zijn mensen die altijd gericht zijn op de vrede. En van die vredestichters wordt gezegd: "zij zullen zonen van God worden genoemd."

Gelukkig zij die worden vervolgd ter wille van de gerechtigheid. Ik zei het straks al, je hebt mensen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. En die streven er ook naar om gerechtigheid te betrachten, zoveel mogelijk. En hoe vreemd het ook moge klinken, daar kun je voor vervolgd worden. Petrus spreekt over een lijden ter wille van de gerechtigheid. De Here Jezus heeft dat zelf ondervonden. 1 Petrus 3:14, dat is dat lijden omwille van de gerechtigheid. Gewoon doordat je als mens staat voor rechtvaardigheid in deze wereld. En ook rechtvaardigheid in onze gemeenten. Rechtvaardigheid in de manier waarop we omgaan met elkaar. Ook met de boosdoeners in de gemeente. Rechtvaardigheid waarmee we het kwaad niet onder de mat vegen, zoals dat zo vaak is gebeurd. We hebben nu dat geweldige probleem in de rooms-katholieke kerk, maar protestanten kunnen wat dat betreft hun hand in eigen boezem steken. Hoeveel kwaad is er ook niet in onze kerken en gemeenten vaak onder de mat geveegd. Dat is onrecht. En hier zegt de Here Jezus, er zijn mensen die komen zo op voor de gerechtigheid dat ze daar vaak niet om gewaardeerd worden. Je kunt erom vervolgd worden. Dat kan door de boze buitenwereld gebeuren, maar dat kan zelfs door je eigen mensen gebeuren. Maar er wordt hier opnieuw gezegd: "Van hen is het koninkrijk der hemelen."

En tenslotte de negende van de negen. En dit keer spreekt de Here Jezus hen aan met u. Dus niet meer in de derde persoon maar in de tweede persoon. U in het meervoud. Gelukkig bent u, gelukkig zijn jullie wanneer ze jullie smaden en vervolgen en liegend allerlei kwaad van u spreken. Punt. Die punt staat er niet, maar heel veel mensen zouden kunnen zeggen: ja, ik word ook gesmaad en vervolgd en men spreekt allerlei kwaad van mij. Maar nu lees ik de woorden die erachter staan: ter wille van mij, zegt de Here Jezus. Als jij gesmaad wordt, als je vervolgd wordt, als de mensen kwaad van je spreken, is dat om de naam van de Here Jezus? Moeten we vaak niet zeggen dat mensen kwaad van ons spreken

en dat er een deel waarheid steekt in wat ze zeggen, het is misschien niet goed dat ze kwaadspreken, maar helaas geven we soms zelf aanleiding. Je moet niet te snel de martelaar willen uithangen. Als mensen je zo behandelen moet je altijd afvragen:"heb ik misschien door mijn gedrag aanleiding gegeven dat ze zo met me omgaan?" Met andere woorden:"is het werkelijk wel om de naam van de Here Jezus?"wees daar maar voorzichtig mee. Ik heb wel zulke mensen gekend die zo spraken, terwijl ik dacht : nee vriend.. die smaadheid en die vervolging, die tegenstand die krijg jij niet omwille van de naam van de Here Jezus, of althans maar zeer gedeeltelijk, maar door de manier waarop je zelf optreed. Maar goed laten we niet negatief zeggen. Dit is het allerbelangrijkste .. en alle vorige zaligsprekingen moeten in dit licht worden gezien:"Het gaat niet zomaar en in het algemeen om mensen die verlangen naar gerechtigheid om mensen die vredestichten…het gaat om discipelen van de Here Jezus.. en uiteindelijk is dit de laatste maatstaf, het hoogste criterium…. Als je moet lijden als je vervolgd word is het om de naam van de MEESTER !!.... Verblijdt en verheugt u, ga er niet aan onderdoor. U weet in handelingen 4 als de apostelen gegeseld zijn staat er;"Zij waren verblijdt dat ze omwille van de NAAM smadelijk behandeld waren. Verblijdt en verheugt u want uw loon is groot in de hemelen. Ha.! Ziet u wel daar komt toch nog het paradijs om de hoek! Nee, sorry het spijt me voor u……..het gaat hier niet over het paradijs, het gaat hier over het koninkrijk Gods. Als het koninkrijk Gods straks op deze aarde gevestigd zal worden, zal het vanuit de hemelen bestuurd worden. En u en ik, als we niet zouden overleven, als de Here Jezus terugkomt zullen vanuit de hemelen met onze opstandingslichamen, niet uit het paradijs, met onze opstandingslichamen delen in zijn heerschappij.

Ons loon is voor ons weggelegd…. in.. het vrederijk. Ons loon wordt nooit verbonden met het paradijs.

Ons loon wordt verbonden met de wederkomst van Christus. "Zie ik kom spoedig en mijn loon is bij mij om een ieder te vergelden". De rechterstoel van Christus zult u niet tegenkomen als u sterft…. U zult naar het paradijs gaan of u zult gaan naar de plaats der pijniging, waar Lukas 16 over spreekt, maar de rechterstoel van Christus die is pas aan de orde als de Here Jezus is teruggekomen, en als alle gelovigen geopenbaard moeten worden voor de rechterstoel. En dan gaat het erom zoals Lukas 19 in de gelijkenis zegt of u over vijf steden of over tien steden mag regeren, want het gaat om het koninkrijk Gods, het gaat om de plaats die u en ik daarin zullen mogen innemen als we met Christus zullen regeren…. groot is uw loon in de hemelen. De gelijkenis van de talenten zegt: "goed gedaan trouwe slaaf. Ga in.. in de vreugde van je heer". Niet de vreugde van het paradijs, maar de vreugde van het koninkrijk waarin de Heer der Heren en de Koning der Koningen gezeten zal zijn op zijn troon. En wij mogen delen in die gelukzaligheid. "Zo hebben zij de profeten vervolgd die voor u geweest zijn". Dat is de laatste zin. Ons overkomt niets bijzonders. Ons overkomt alleen maar, als het ons overkomt, ..wat alle Godsmannen en Godsvrouwen in de Bijbel altijd hebben ondervonden. Vanaf de rechtvaardige Abel, zegt de schrift. Hij was de eerste, het eerste slachtoffer omdat hij de gerechtigheid zocht. Ons overkomt niets bijzonders, het zal zo doorgaan totdat het koninkrijk der hemelen werkelijkheid wordt. God zegene zijn woord.

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?