Hart voor Waddinxveen


(2) Lezing gehouden op 1 oktober 2010 over "De ware gerechtigheid" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
donderdag, 09 december 2010 18:05

Wij lezen uit Mattheüs 5 uit de Telosvertaling vers 13 t/m 20. "U bent het zout van de aarde. Als nu het zout smakeloos wordt waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. U bent het licht van de wereld. Een stad die op een berg ligt kan niet verborgen zijn. Ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat maar op de kandelaar en zij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor het oog van de mensen opdat zij uw goede werken zien en uw Vader die in de hemelen is verheerlijken. Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om op te heffen maar om te vervullen. Want voorwaar Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan zal niet één jota of één tittel van de wet voorbijgaan totdat alles is gebeurd. Wie dan één van deze geringste geboden ontbindt en de mensen zo leert zal de geringste worden genoemd in het koninkrijk der hemelen. Maar wie ze doet en leert die zal groot worden genoemd in het koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u dat als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, u het koninkrijk der hemelen geenszins zult binnengaan." Tot zover lezen we uit het Woord van God.

Ik mag u nog wel in herinnering roepen wat de bergrede is. Ik heb u de vorige maal een heleboel dingen opgesomd wat de bergrede NIET is; dat ga ik nu niet herhalen. Misschien kan ik het nog het kortste samenvatten door te zeggen: de bergrede, daar vind je de grondregels van het koninkrijk der hemelen oftewel het koninkrijk Gods. Ik hoor niet tot degenen die daar een fijnzinnig onderscheid tussen maken. Die grondregels gelden niet voor het koninkrijk zoals het straks zal aanbreken als de Messias komt; als de Here Jezus terugkomt. Want deze grondbeginselen veronderstellen vervolging en verdrukking. We hebben dat bij de zaligsprekingen gezien. Het zijn dus de grondbeginselen van het koninkrijk in de tijd dat de Here Jezus Zijn discipelen zou hebben verlaten, teruggekeerd zou zijn naar de hemel tot op de tijd dat Hij terugkomt. Ze worden hier aangesproken als discipelen. Het gaat hier niet over de Kerk, over de Gemeente; het gaat hier niet over vergeving van zonde. Het gaat hier over het koninkrijk Gods. Het gaat hier over onze plek daarin als discipelen. Dat is heel belangrijk. Als volgelingen van Jezus. Want de weg die in de zaligsprekingen werd beschreven dat is de weg van de Here Jezus zelf. Hij heeft die vervolging en verdrukking meegemaakt. Hij hongerde en dorstte naar de gerechtigheid. Hij was een vredestichter. Hij was iemand die treurde om de omstandigheden van toen. Hij was iemand die barmhartigheid heeft betoond. Het enige wat je misschien niet kan zeggen: dat Hij arm van geest was omdat dat lijkt te veronderstellen vernedering, verootmoediging over je zonden. Maar voor de rest is dit het beeld van de Here Jezus zelf en dus ook het beeld van Zijn volgelingen.

Dit is de inleiding, deze zaligsprekingen. En dat is een prachtig begin. Helemaal aan het begin wordt gezegd: gelukkig ben je als je een discipel van Jezus bent. Daar komt het op neer. En dat wordt dan negenvoudig uitgesplitst maar dit is de boodschap: je bent een gelukkig mens wat er ook gaat komen. En dat zal misschien wel moeilijk zijn om dat allemaal te verwerkelijken en in de praktijk te brengen maar wat er ook komt, dit staat voorop: je bent een gelukkig mens. Gefeliciteerd dat je een discipel van Mij bent, zegt de Here Jezus. Want je gaat een geweldige beloning tegemoet en dat is het komende koninkrijk. Maar na deze uitbundige gelukwensen zou je kunnen zeggen, begint the real work. Nu komt het harde werk. Nu komen de grondregels. Dit was alleen maar de aanhef. De aanhef is trouwens altijd belangrijk. Want men heeft de bergrede vaak vergeleken met de wetgeving op de Sinaï. De Here Jezus is op een berg; Mozes was op een berg. De Here Jezus is genoemd: de nieuwe Mozes, de nieuwe Wetgever. Niet helemaal nieuw dat zullen we direct zien. Hij is niet gekomen om de wet van Mozes af te schaffen. Hij is de Vervuller van die wet maar toch een nieuwe Mozes. Op een nieuwe berg geeft Hij nieuwe regels voor nieuwe omstandigheden want het koninkrijk der hemelen is aangebroken. En daarbij horen grondregels want Hij is de Koning. In het laatste vers van Mattheüs 28, van het hele evangelie, de laatste verzen, daar lees je dat Hij degene is die alle macht heeft in hemel en op aarde en daarom moeten mensen eropuit gestuurd worden om alle mensen tot discipelen van Jezus te maken. En dat doe je door ze te dopen en door ze te onderwijzen al wat Ik u geboden heb. Als je vraagt: wat is dat dan? Dan zijn er verschillende gedeelten in Mattheüs waar de Here Jezus je naar kan verwijzen maar dit is zeker het eerste en misschien wel het belangrijkste. Daarom staat het ook vrij vroeg in het evangelie. Zodra de bediening van de Here Jezus begint krijgen we deze boodschap: als je Mij wilt volgen, zegt Hij als het ware, zijn dit de regels waaraan je je hebt te houden. En dat zijn niet alleen maar doe-regels. Die eerste verzen waar we het nu over hebben, hebben veel meer te maken met wat wij ZIJN. En dat is een geweldig verschil. Een groot contrast ook met de farizeeën en schriftgeleerden waar het zo sterk aankwam op een uitwendige wetsbetrachting om het nou eens mooi ouderwets te zeggen maar waar het hart helemaal niet op de goede plek zat. Ze waren witgepleisterde graven, zegt de Here Jezus. Aan de buitenkant mooi versierd maar vanbinnen vol dorre doodsbeenderen. Ze waren onder andere dat vergeten dat het niet alleen maar gaat of je bepaalde plichten vervuld, dingen nalaat, dingen doet maar vanuit welke motivatie je dat doet. Tegenover de werken van het vlees in Galaten 5 staan niet de werken van de Geest maar de vrucht van de Geest. Enkelvoud. En ook niet daden maar vrucht, dat is gezindheid: liefde, blijdschap, vrede enzovoort. De gezindheid van waaruit dingen gedaan moeten worden.

En dan wordt hier gezegd: jullie zijn het zout der aarde en jullie zijn het licht der wereld. Dat is nogal verschillend. In de eerste plaats het verschil tussen aarde en wereld. De aarde, dat is Gods goede schepping. Ondanks de bezoedeling door de zondeval is er zoveel moois dat God gegeven heeft. Dat van voor de zondeval is en ook na de zondeval gebleven is, nogmaals bezoedeld, maar toch, juist de discipelen van de Here Jezus hebben gelegenheid om die dingen te herstellen in hun glans zoals God het heeft bedoeld. Het zout heeft twee eigenschappen en dat wist men in de oudheid ook al heel goed. Ten eerste geeft het smaak aan de dingen en ten tweede is het bederfwerend. De aarde heeft te maken met de dingen die God gegeven heeft. Instellingen zoals het huwelijk en het gezin; in de kiem eigenlijk ook al het Godsvolk; in de kiem eigenlijk ook al de staat, zeker na de zondvloed, menselijke regeringen ingesteld. En voor al die zaken geldt dat christenen, dat discipelen van Jezus de bijzondere opdracht hebben daarin smaakmakers te zijn en bederfweerders te zijn. De aarde is dus iets waar christenen voluit in participeren. We nemen daaraan deel. We trekken ons niet terug in het klooster. Trouwens, zelfs daar gaat men stemmen, heb ik begrepen. Zelfs daar doet men wel eens boodschappen. Daar is niet aan te ontkomen. Dan moet je wel op een kloostereiland zitten waar je ook volledig jezelf bedruipt en waar je van de buitenwacht dan ook niemand ziet. Maar is zeker niet onze roeping. Wij staan midden in die aarde. We nemen deel aan de politiek maar we doen het beter dan de anderen. Niet omdat wij beter zijn, omdat we burgers zijn van een koninkrijk dat zoveel beter is. Daarom zijn we, als het goed is, betere vaders en moeders, betere echtgenoten en echtgenotes. We zijn betere staatsburgers. We zijn als het goed is, als we deze beginselen werkelijk ter harte nemen en in kracht van Heilige Geest in praktijk brengen op alle terreinen smaakmakers en bederfweerders. Als WIJ dat niet meer zijn dan staat er: als het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Wat voor stof moet je er dan bijhalen om het zout zijn smaak terug te geven. Nou dat bestaat natuurlijk niet. Want DE smaakmaker bij uitstek dat is het zout. Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. Het is waardeloos geworden. Daarom is het ook veel erger om een smakeloze christen te zijn dan een smakeloze niet-christen. Nou, de kerkvader Chrysostomus heeft al gezegd: het bederf van het beste is het ergste bederf dat er is. Als christenen bedorven raken door de zonde, doordat ze niet trouw bij de Meester blijven, dat is erger dan wanneer niet-christenen, die de Meester niet kennen en Zijn principes niet kennen, door het bederf zijn aangetast. Er zijn nog een paar andere plaatsen waar de Here Jezus of Paulus erover spreekt. Heb smaak in uzelf, heb zout in uzelf zegt de Here Jezus. Daar heb je datzelfde. Het moet een deel van jezelf zijn, niet opgelegd, het moet van binnenuit komen. En Paulus zegt in Kolossenzen 4: laat uw woorden altijd zijn in genade met zout besprengd. Een zouteloos mens is erg maar een zouteloos christen is nog erger. Wij mogen geen zouteloze mensen zijn. Mensen met pit en smaak. En dat betekent overal, waar ook maar instellingen van God in deze wereld gevonden worden en je kunt het nog uitbreiden. Het geldt niet alleen maar samenlevingsverbanden, het geldt ook als het gaat over dingen als milieu en wat dan ook. Christenen zijn het zout der aarde.

Maar de wereld, dat is heel wat anders. Wereld kan ook betekenen de mensenwereld. God had de wereld lief dan gaat het gewoon over de mensenwereld. Maar heel vaak heeft wereld een negatieve klank. 'Heb de wereld niet lief' zegt 1 Johannes 2. De wereld ligt in het boze en de wereld gaat ten einde. De Here Jezus zegt in Johannes 16: Ik heb wereld overwonnen en in 12, 14 en 16 in Johannes noemt Hij de duivel de overste van de wereld. Daar is de wereld het geheel van alles wat zonde en duivels is. Je zou kunnen zeggen: er is niets in het leven wat we hebben te vrezen behalve de zonde en de duivel. En dat is samen de wereld. En toch kun je mij niet zeggen dat wij met die wereld niets te maken hebben. Dat is een spanning natuurlijk, dat weet u allemaal in Johannes 17; het in de wereld zijn en het niet van de wereld zijn. Wij hebben altijd de neiging òf zo in de wereld te staan en dan ook echt midden in de samenleving dat we erdoor aangetast worden. En dan verloochenen we het tweede, het niet van de wereld zijn. Of het is het omgekeerde, we trekken ons zo uit de wereld terug dat wij inderdaad verwerkelijken dat we niet van de wereld zijn maar we zijn ook voor de wereld totaal niet meer relevant. We zijn ook dan niet meer in de wereld. Dat is dan weer dat klooster op dat eilandje. En daar tussendoor, daarom heeft de Here Jezus ook daar zo speciaal voor gebeden in Johannes 17, daar tussendoor te gaan, dat is heel moeilijk. Hij kon dat. Hij at met tollenaars en zondaars en de wettische mensen moesten daar natuurlijk niets van hebben. Maar Hij kon het en Hij werd er niet door aangetast. Integendeel, Hij trok die mensen omhoog naar Zijn niveau. Terwijl als wij vriendschap met de wereld aanknopen, wij heel gemakkelijk naar beneden gezogen worden naar het niveau van de wereld. Daarom zegt Jakobus en zegt Petrus in hun brieven: heb geen vriendschap met de wereld. Als je bevriend bent met de wereld, kan God je vriend niet zijn. Zo kras is dat. Dus hou je verre van die wereld en tegelijkertijd sta er middenin. Sta erin, middenin en verspreidt het licht van God in die duistere wereld. Want de wereld is duister. Denk erom, als we spreken over het koninkrijk der hemelen moeten we bedenken dat daar ook altijd het koninkrijk van de Satan tegenover staat. In Mattheüs 12 spreekt de Here Jezus uitdrukkelijk over dat koninkrijk van Satan. Dat weten we dus. Er zijn twee rijken. Zolang de Here Jezus niet is teruggekomen is het koninkrijk Gods in voortdurend conflict met het koninkrijk van Satan. Dat is een strijd in de onzichtbare wereld waar wij als het ware tussenin geklemd zitten. En wij moeten aan de goede kant staan en niet meegezogen worden door die wereld want dan gaan wij de verkeerde kant op. Dan gaan we heulen met de vijand. En het bijzondere is dat hoewel we dus pal aan de kant van de Here Jezus staan, tot Zijn rijk behoren, niet tot het rijk van de duivel, wij goed moeten bedenken dat onze strijd niet is tegen vlees en bloed. Er zijn mensen in die wereld en die zijn nooit onze vijand. Dat is voor een christen ontzettend belangrijk om te weten dat, wie het ook is, geen mens ooit je vijand is. Hij kan zich wel vijandig gedragen, misschien is hij wel jouw vijand van hem uit gezien maar jij hebt geen vijanden. Jouw enige vijand, dat is in de geestelijke wereld. Dat is wat Paulus zegt in Efeze 6:12: onze strijd is niet tegen bloed en vlees maar tegen de overheden en de machten in de hemelse gewesten. Want die mens kan altijd overgaan van het rijk van de duisternis naar het rijk van het licht. Zo bejegen ik hem. Ik bejegen hem niet als een vijand maar als iemand die een potentieel discipelschap tegemoet kan zien in het koninkrijk Gods. Hij kan aan onze kant komen. En daarvoor moet ik licht verspreiden. Als ik hem met haat bejegen, dat zullen we later in Mattheüs 5 zien, dan straal ik duisternis uit voor zover duisternis kan stralen. Maar dan ben ik net als hij eigenlijk. De Here Jezus gaat daar verder op in, in dit hoofdstuk dus we laten dat nog maar even liggen maar wij verspreiden licht. Het koninkrijk van God is een koninkrijk van licht en dat andere is een koninkrijk van de duisternis. En zo staat het leven in het koninkrijk Gods tegenover de dood. En zo staat de liefde van het koninkrijk Gods tegenover de haat. Ik noem dat andere weleens het koninkrijk van de drie d's. Duisternis, dood en duivel. En daar tegenover het rijk van de l's. Dat werkt natuurlijk in elke taal, dat snapt u wel: leven, liefde en licht. En wij, vanuit het rijk van het licht, stralen dat licht door onze getuigenis, in welke vorm dan ook - dat hoeft niet alleen maar prediking te zijn natuurlijk -, stralen wij dat naar de mensen die nog in de greep zijn van het rijk van de duisternis. Daarmee veranderen wij het rijk van de duisternis niet. Het enige wat wij veranderen, als het goed is door Gods genade en kracht, dat zijn de mensen in dat rijk. Die daardoor aangetrokken worden, dat hopen we, dat bidden we, door het licht opdat ze overgaan naar het rijk van het licht. U bent het licht van de wereld en daarom moet een kerk een stad op een berg zijn. Pasgeleden heeft de christenhistoricus James Kennedy daar een boek over geschreven: de stad op een berg. De kerk is veel te vaak introvert, naar binnen gekeerd. Het maakt niet uit of reformatorisch of evangelisch bent. We zijn vaak te knus bij elkaar en met elkaar en met onszelf bezig. We zeggen misschien nog wel, schijnvroom, dat als de mensen het evangelie willen horen dan moeten ze maar komen. Alsof God ons eropuit gestuurd heeft om mensen uit te nodigen bij ons te komen. Hij heeft ons eropuit gestuurd om naar de mensen toe te gaan. Heel vaak is de kerk een verborgen plek in het dal. Ik heb vaak op reizen gezien wat het is, steden die op een berg liggen die liggen daar goed beschermd. Het is moeilijk zo'n stad in te nemen maar bovendien kun je zo'n stad uit de verte zien. Ik herinner mij op wandeltochten dat ik wist aan het einde van de dag moet ik daar uitkomen. Daar bij die stad op de berg. De hele dag zag je die stad voor je. De kerk mag niet naar binnengekeerd zijn. Mag ook wel, hoeft niet alleen maar naar buiten toe gekeerd zijn. Je moet ook voor je eigen mensen zorgen maar de kerk moet betekenisvol zijn in de samenleving en dat boek van James Kennedy is erop gericht om te laten zien de kerk, zeker gezien de secularisatie steeds meer zich in zichzelf terugtrekt en daardoor steeds minder relevant wordt. En hier gaat het wel niet rechtstreeks over de kerk, hier gaat het over de individuele discipelen van de Here Jezus maar ik mag dat wel even zo doortrekken. Het gaat erom dat wij zichtbaar zijn. Dat we aansprekend zijn. Dat mensen van ons weten. Als je een lamp aansteekt dan moet je hem niet verstoppen. Wij zijn een lamp. Er staat heel merkwaardig in vers 16: laat zo uw licht schijnen. Wij zouden zeggen dat is toch het licht van God? Jawel maar Paulus zegt in Efeze 5: jullie zijn licht in de Heer. Jullie zijn zelf licht geworden. Je kunt gelovigen vergelijken met de maan die het licht van de zon weerkaatst. Dan heeft de maan geen eigen licht. Het licht dat ze weerkaatst komt van de zon. Dat is een mooi beeld. Het licht dat wij uitstralen komt niet van onszelf, het komt van de zon. Prachtig. Maar het is even waar dat Filippenzen 2:15 ons zegt dat wij lichtdragers geworden zijn. Hemellichten, sterren. Want het is ook waar dat het nieuwe leven in ons gekomen is en dat nieuwe leven is niet alleen leven, het is ook licht. Het is ook liefde, de liefde van God is in onze harten uitgestort. Dus die drie l's zitten ook in ons. Wij zijn in dat koninkrijk maar dat koninkrijk is ook in ons. In Lukas 17:21 zegt de Here Jezus: het koninkrijk van God is, (het hangt van de vertaling af maar ik geef het nu even zo weer) in jullie. In je hart. Het is allebei waar. Niet alleen maar in je hart. Het is ook om je heen. Je straalt het ook uit. Het is ook in de verbanden waarin we behoren. Wij zijn in het koninkrijk maar het koninkrijk is ook in ons. God stort Zijn liefde, Zijn licht en Zijn leven uit in ons hart met de bedoeling dat het naar buiten komt. En nou staat hier van de korenmaat maar als je in Lukas 8:16 kijkt en in 11:33 dan vind je maar liefst vier dingen waar dat onder verstopt kan worden. Het vat, de korenmaat, de kelder en het bed. En dat kun je toepassen op de plaatselijke gemeente, je kunt het ook toepassen op je eigen leven. Het vat dat zijn de huishoudelijke voorwerpen, de potten en de pannen en de vazen die je in huis hebt. En daar moet je dat licht natuurlijk niet onder doen, want dan kan niemand het zien. Het licht brandt wel, hoewel het door zuurstofgebrek gauw zal uitgaan, maar zo letterlijk trekken we het nu niet door. Maar je moet het niet ergens onder stoppen dat niemand het kan zien. En dat betekent dat ons licht, dat we als discipelen verspreiden, heel gemakkelijk door al onze bezigheden bedekt kan worden. Dan stralen we geen licht, want daar hebben we geen tijd voor. We laten ons opslokken door onze dagelijkse besognes. Ik durf het haast niet te zeggen, maar je kunt het huis ook een keer minder schoonmaken. Vroeger was het misschien nog wel veel sterker die continue manie om constant alleen maar met je huishouden bezig te zijn en daarin een excuus te vinden voor niets anders. Tegenwoordig moet je dat tegen de vrouwen én de mannen zeggen. Dan verstop je je licht onder een vat.

Je kunt het ook onder je bed verstoppen. Dat betekent door luiheid en gemakzucht kom je nooit aan je discipelschap toe. Je bent druk bezig met je werk, je bent bezig misschien zelfs wel met de kerk. Je kunt zo opgaan in kerkelijk werk dat je aan discipelschap niet toekomt. Dat is vreemd. Ik kan zo opgaan in prediken, elke avond weer ergens anders, dat ik aan discipelschap niet toekom. Want dan maakt het niet uit of ik 's avond eropuit ga omdat ik verzekeringsagent ben of dat ik prediker ben. Ik kan zo opgaan in mijn werk dat ik aan het licht stralen niet zo goed toekom. Maar nou ging het even over het bed van de luiheid en de gemakzucht. Dat zijn de mensen die zeggen: ik heb toch ook recht op vakantie. Jazeker, maar of je nou per se recht hebt op vijf keer vakantie per jaar dat is natuurlijk weer een andere vraag. We hebben recht op onze ontspanning. Maar als je ziet, vooral met christenjongeren, hoeveel tijd ze per week besteden aan televisie en vandaag moet je zeggen aan het internet. Internet heeft de televisie al ingehaald qua uren, maar dat loopt in de acht of de tien uur per week, heel gemakkelijk. En in sommige gevallen wel twintig uur. En die hebben het ontzettend druk, maar ze zijn eigenlijk heel erg druk bezig met niks. Dan schijn je geen licht uit. Dat heb je verstopt onder het bed van de gemakzucht. En dat kan in onze gemakzuchtige wereld, waar we zoveel luxe kennen heel gemakkelijk gebeuren.

En dan heb je natuurlijk de mannen die hun lamp verstoppen onder de korenmaat. Onder hun dagelijks werk, hun carrière, hun bezigheden, daar hebben ze het veel te druk voor. Ik hoorde van een vrouw die zei: ja, ik ben thuis maar zo'n beetje de geestelijke leidster. Ik doe het bidden en het Bijbellezen en zo, want mijn man is zo druk met zijn werk, die heeft daar geen tijd voor. Dat zijn twee domme mensen bij elkaar: a. die man die zich dat verbeeld dat hij geen tijd heeft en b. die vrouw die dat nog accepteert ook. Misschien wilde ze dat wel stiekem ook, die rol spelen, maar dan is ze nog steeds net zo dom. Die vrouw had dat nooit moeten accepteren. Zo kun je je licht weigeren te laten schijnen, omdat het volledig ten onder gaat in je dagelijkse werk.

En tenslotte kun je het ook nog in de kelder hebben zitten. De kelder is de verborgen plaats waar je dingen wegstopt waarvan je niet wil dat andere mensen dat zien. Dat zijn de mensen die door zonde en door allerlei andere blokkades in hun leven van hun discipelschap niet veel terechtbrengen. Zo kan je geestelijk leven verstikt worden door die vier dingen, die u alle vier in het Lucasevangelie kunt terug vinden. Eentje vind je hier maar. Nee, weg met al die dingen. Geen excuses, geen excuses. Geen tijd, geen tijd. Weet u wat geen tijd betekent? Dat is altijd een leugen. Als u zegt ik heb geen tijd, dat kan niet want u hebt 24 uur per etmaal. Wat u bedoelt, alleen dat is zo'n ingewikkelde zin en het is ook geen aardige zin, u bedoelt: wat jij van mij vraagt staat zo laag op mijn prioriteitenlijstje dat zoveel andere dingen belangrijker zijn dan dát, dat ik er niet aan toekom. Maar dat zeg je niet, dat is zo onaardig. Dus zeg je een leugen, je zegt ik heb geen tijd. Nee, je hebt besloten je tijd anders in te delen. Dat is het hele punt. Zeg dat dan eens een keer eerlijk. We hebben allemaal verschrikkelijk veel tijd.

Laat zo úw licht schijnen voor de mensen. Jouw licht, het is van jou geworden. Het trof me pas, ja, dat zijn van die dingen die weet je al heel erg lang en ineens raakt het je, dat is dat Petrus en Johannes tegen die verlamde man bij de Schone Poort zeggen:"Zilver of goud heb ik niet", dat hielp al enorm denk ik, ik denk dat één van de redenen dat zij meer kracht van de Geest aan de dag legden dan wij is dat zij konden zeggen zilver of goud hebben we niet, maar goed, even terzijde, maar dan komt het:"maar wat ik heb dat geef ik u." Niet van: ja, het hangt allemaal van Gods genade af, goede vriend, maar als Hij zich over jou wil erbarmen dan zouden er prachtige dingen kunnen gebeuren. Nee, wat ik heb dat geef ik u. Ze hadden wat. Ze hadden wat om uit te delen. Dat hadden ze gekregen op de pinksterdag. Laat zo uw licht schijnen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien. Weet je dat dat bijna, in sommige kringen een vies woord is, goede werken? Ik heb het hier een keer eerder gevraagd in deze zaal, toen ik u die stelling voor hield, sommigen weten dat vast nog wel. De stelling: er komt niemand in de hemel die geen goede werken heeft gedaan. Nou, ik zag meteen allerlei wenkbrauwen fronsen. En een hoop mensen zeiden, nee met die stelling konden ze het natuurlijk niet eens zijn. Want die hebben ergens gehoord dat wij niet door goede werken behouden worden. Ja, als u bedoelt goede werken alleen, goede werken zonder verootmoediging, zonder bekering, goede werken in eigen kracht, ja, dat wordt helemaal niks. Dan hebt u gelijk. Maar als u zegt: we worden gerechtvaardigd door geloof alleen, kijk even uit met dat woord alleen, dat hebben wij eraan toegevoegd. Dat staat in de Bijbel niet. Je wordt gerechtvaardigd uit geloof, maar dan wel geloof dat door liefde werkt zegt Galaten 5. Geloof dat vrucht draagt, anders is het geen geloof zegt Jacobus 2. Jacobus 2 zegt triomfantelijk: je ziet hieruit dat een mens niet alleen door geloof gerechtvaardigd wordt, maar ook door werken. Ik kreeg van de week nog weer een mailtje van iemand die daar hopeloos door in de war was gebracht. Terwijl het zo simpel is. Het enige wat Jacobus bedoelt is: je kan wel mooi praten over je geloof, maar als we geen vruchten zien kun je ons nog meer vertellen. Een geloof moet vrucht dragen, anders is het geen echt geloof. Gelukkig had de Here Jezus al die theologische ballast niet die wij opgebouwd hebben door de eeuwen heen en de Here Jezus zei dus rustig: denk erom dat de mensen je goede werken zien. Je kunt wel tegen de mensen zeggen: ja, wij geloven en dan zeggen ze: ja nou, ik geloof het wel met jou. Wat ze willen zien is de vrucht van het geloof. Als jij een christen bent, laat dat dan maar eens zien. Zo zegt de Here Jezus: Laat zo uw licht schijnen voor de mensen dat ze je goede werken zien. Het gevolg is niet dat ze jou prijzen. Dat is nooit sterk als ze jou prijzen. Zoals die mevrouw die tegen de dominee zei dat hij zo mooi gepreekt had en de dominee zei: je bent al de tweede die dat zegt. O ja, zei ze, en wie is dan de eerste? Hij zei: de duivel. Dat is de verzoeking van iedere prediker. Maar ook van iedereen die op geestelijk terrein iets presteert. Dat je jezelf op de borst klopt. Weet u, er zijn drie gevallen in de Bijbel, maar ik wil daar niet over uitweiden, van mensen die een geweldige geestelijke prestatie hadden geleverd en onmiddellijk daarna uiterst kwetsbaar waren. Ik vind dat jullie wat meer medelijden mogen hebben met predikers en predikanten. Nooit zijn ze kwetsbaarder dan wanneer ze goed gepreekt hebben. Abraham had geweldige strijd geleverd met 318 mannen, enorm. En 's nacht ligt hij op zijn bed en hij is bang. En de Here God komt en zegt: Abraham, vreest niet. Ik ga er nu niet over uitweiden waarom die bang was. Maar dat is heel bijzonder. Elia heeft 850 Baälpriesters en Asherapriesters laten ombrengen op de Karmel. En 's avonds rent hij, toen begon ik al een beetje wantrouwig te worden met dat geren voor die koets uit, toen dacht ik, nou gaat hij oven zijn theewater raken, hoor. En ja, de volgende dag komt er een briefje van Izebel: ik doe met jou hetzelfde als wat jij met die priesters van mij gedaan hebt. En wat doet hij? Hij neemt de benen. Hij was niet bang voor 850 priesters, maar voor één vrouw was hij wel bang. En daar ging hij. Want we zijn nooit zo kwetsbaar als wanneer we geestelijk een prestatie hebben geleverd, als ik het even zo mag zeggen. En Simson sloeg 1000 man dood met een ezelskinnebak en hij zei het ook: ik heb 1000 man doodgeslagen met een ezelskinnebak. En even later lag hij amechtig op de aarde, want hij ging bijna dood van de dorst. Laat ik dit vertellen: Er was een man die ging naar Londen om twee bekende predikers te horen. Die andere ben ik vergeten, maar die ene was Spurgeon. 's Morgens luisterde hij naar die andere prediker en toen hij naar buitenkwam zei hij: wat een geweldige prediker is die man. Toen hij bij Spurgeon naar buitenkwam zei hij: wat hebben we toch een geweldige God. Dat is wat hier staat. Als de mensen je goede werken zien, laten ze dan je Vader die in de hemelen is verheerlijken. Als je licht schijnt op mensen, en mensen gaan in dat licht iets meer van God zien, zoals Paulus dat zegt in Filippenzen 1: Dat door mij heen Christus wordt groot gemaakt, dan ben ik alleen maar de verrekijker, zegt hij. Een verrekijker is niet om naar te kijken, maar om doorheen te kijken. De verrekijker trekt geen aandacht op zichzelf. Die verrekijker zet je voor je ogen en dan zie je de verrekijker niet meer, maar je ziet datgene waar je naar kijkt door die verrekijker. Dat wordt groter gemaakt daardoor, vergroot. Laat Christus door mij heen worden groot gemaakt, zodat, als ze onze goede werken zien, ze de Vader die in de hemelen is verheerlijken.

Zo, zegt de Here Jezus, jullie zijn discipelen van het koninkrijk geworden. Gefeliciteerd. En nu willen jullie natuurlijk wel weten wat voor wetten heb je in dit land. Meent niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten op te heffen. Nou is de eerste boeiende vraag: waarom zou de Here Jezus denken, waarom zouden de mensen denken, ik wilde eigenlijk de zin nog langer maken: waarom zou de Here Jezus denken dat de mensen zouden denken dat Hij gekomen was om de wet en de profeten op te heffen? Waarom zegt Hij dit überhaupt? Dat kwam doordat Hij constant, het is hier nog tamelijk aan het begin maar ze zullen er wel iets van gezien hebben, dat Hij constant inging tegen de farizeeërs en de schriftgeleerden. De vertegenwoordigers van het judaïsme. Met alle wetticisme wat erbij hoort. Denk erom, Jodendom als zodanig is niet wettisch, de Thora is niet wettisch als ik het even zo mag zeggen. Iemand die in Psalm 119 zegt: "Hoe lief heb ik uw wet", die is niet wettisch. "Zij is mijn vermaking elke dag", Psalm 19. Psalm 1: "Om die wet te overpeinzen bij dag en bij nacht", dat is niet wettisch. Wettisch is de mens die in de eerste plaats leeft bij de uitwendige regeltjes, de geboden en verboden. Die in de tweede plaats er een vreugde in schept om die andere mensen op te leggen, en heel dikwijls zelf de randjes ervan af te lopen. Ik bedoel als iemand streng is voor zichzelf en het heel precies wil houden bij het woord van God zal ik hem nooit wettisch noemen. Maar op het moment dat hij die strenge toepassing van die regels op mij of op een ander wil overdragen, dan is hij wettisch. Als iemand nauw leeft voor zichzelf, laat hij zijn gang gaan. Maar meestal kunnen die mensen zich niet bedwingen om anderen te manipuleren en te vertellen hoe ze het moeten doen en hoe ze de wet moeten interpreteren en wat ze allemaal mogen doen en wat ze vooral allemaal moeten nalaten. En een derde of vierde kenmerk is ook dat wat niet in de wetjes en de regeltjes staat, daar gaan ze zich naar hartenlust aan te buiten. Dat is ook typisch wettisch, je houdt je aan de regels, maar wat niet bij de regels hoort, dus geen televisie maar wel de hele dag sigaren roken. Terwijl als je naar de goeie programma's kijkt is dat minder schadelijk dan sigaren roken. Maar die sigaren roken dat hoort niet bij de regeltjes. Het is maar een heel dom voorbeeld, maar ik denk dat het nog niet zo dom is want het is inderdaad heel reëel. In sommige kringen mag je geen sigaren roken. Ik herinner me dat ik ooit bij een broeder in Londen gelogeerd was en die zei: "Is het waar dat op het continent zoveel christenen roken en alcohol gebruiken?" En hij keek daarbij zodanig dat hij dat bijna niet kon geloven maar dat hij dat toch van mij wilde horen. Ik zei: "Ja, dat is zo". Hij trok een zeer bedenkelijk gezicht. Ik zei: "Alleen (dit is wel veertig jaar geleden, hoor) die christenen zouden niet kunnen begrijpen dat jij daar zo'n groot televisiescherm hebt staan". "Wat", zei hij, "ik ben nota bene door de televisie tot bekering gekomen. Door Billy Graham te zien". Ja nou, toen was ik natuurlijk uitgepraat. Maar daaruit zie je dat je door de televisie tot bekering kunt komen en door het roken van sigaren in elk geval niet. Zo, dat hebben we duidelijk vastgesteld. Maar begrijpt u wat ik bedoel? De televisie hoort bij de regeltjes, dat mag niet. Over sigaren en over alcohol wordt niet gesproken. Nou gaat het me er niet om om die dingen nou zo zwart te maken. Het gaat erom er zijn dingen die horen buiten die regeltjes en daar mag je je dan ook naar hartenlust aan over geven. Ja? Nou ja, er zijn zoveel voorbeelden, maar laten we het maar houden bij het principe. Waarom zouden die mensen denken dat de Here Jezus eventueel gekomen zou zijn om de wet op te heffen? Omdat Hij tekeerging tegen het wetticisme, en als je dat doet dan zul je zien dat mensen denken dat jij iets tegen de wet hebt. Nee, Hij had het tegen hun gebruik van de wet. Hun toepassing van de wet. De wet en de profeten, dat moet je goed bedenken, dat is de Tenach, dat is het Oude Testament. Dus in feite gaat het hier niet alleen maar over de wet, het gaat over het hele Oude Testament. En vooral in het volgende gedeelte, dat we de volgende keer krijgen, is dat ontzettend belangrijk. Want mensen hebben dikwijls de Here Jezus ervan beschuldigd, ook in het volgende gedeelte, dat Hij de wet bekritiseerd zou hebben of zou hebben willen corrigeren. En we zullen zien, daar is nooit enige sprake van. De Here Jezus heeft nooit kritiek op de wet van Mozes. Dat kan natuurlijk ook helemaal niet, dat is het woord van God. Die wet is niet van Mozes, God heeft die wet aan Mozes en door Mozes aan het volk gegeven. Het gaat niet om kritiek op de wet, maar om kritiek op het gebruik van de wet.

De Here Jezus zegt: "Ik ben niet gekomen om de wet op te heffen, maar om die te vervullen". Nou, dat is een soort sleutelwoord. Dan moet u even rechtop gaan zitten en goed opletten, want dit woord moeten we even goed snappen. Hij is gekomen om de wet te vervullen. Nou weet ik niet zeker of ik het goed snap, want ik kan wel vier betekenissen bedenken die ik alle vier erg belangrijk vind en zinnig in dit verband. De eerste is: Ik ben gekomen om die wet zelf ten uitvoer te brengen. Dat is zo. Zijn respect voor de wet blijkt in de eerste plaats simpelweg daaruit dat Hij die wet volmaakt gehouden heeft. Van begin tot eind. Men dacht af en toe dat men Hem kon betrappen op een wetsovertreding, bijvoorbeeld als Hij op de sabbat iemand genas. Maar let wel, daarbij ging het nooit om het overtreden van de Thora, maar om het overtreden van de strenge uitleg die de farizeeën aan de Thora gegeven hadden. Dat is wel even wat anders. De Here Jezus heeft de wet ten uitvoer gebracht. Ten tweede: Hij heeft die wet verdiept en uitgebreid. Dat gaan we de volgende keren en in de volgende Schriftgedeelten prachtig zien, denk ik. Hij heeft die wet laten zien in haar eigenlijke diepte. Je zou het zo kunnen zeggen, in het Oude Testament kan God dat nog niet doen. Hij gaf die wet op de Sinaï in de meest sobere editie die je je maar kan voorstellen. Om te laten zien dat Israël zelfs dat niet kon waarmaken. Daarom heb ik er wel een beetje moeite mee dat wij die sobere editie 's zondags voorlezen in de kerk. Want daarmee komen de mensen veel te gemakkelijk weg. Die gaan naar huis en denken: nou, het zit goed, ik heb weer niemand vermoord de hele week, ik heb weer geen overspel gepleegd, ik heb weer niet gestolen, enz. Dan moet je daar wel elke keer de interpretatie van de Heidelbergsche Catechismus bij bedenken, want daarin wordt gepoogd om de diepte daarvan aan te geven. Dan is het goed, dan is het goed. Maar als je de wet zo neemt, op het eerste gezicht, dan denk ik: ik kom er goed van af. Zo ging het met Saulus ook. Saulus van Tarsus die keek in de spiegel van de wet en hij zei: Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is het rechtvaardigste in het hele land. En de wet zei: jij Paulus, zoals jij is er geen een. Echt waar. Hij zegt zelfs later in Filippenzen 3, na afloop: Wat de gerechtigheid die in de wet is betreft, was ik onberispelijk. Dat zegt hij als een bekeerd mens, door de werking van de Heilige Geest. Maar dat komt omdat hij zich mat aan de wet in haar minimum editie. Maar wij komen er niet zo makkelijk van af. Dat gaan we in die volgende gedeeltes zien. De Here Jezus heeft die wet vervuld, tot volheid gebracht. Hij heeft de diepste, de hoogste zin ervan aan het licht gebracht. En wij kunnen vandaag met minder niet toe. Daar ga ik nog niet op vooruitlopen. Een derde betekenis is: vervullen in de zin van een profetie vervullen. Want er staat achter: "Ik zeg u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan zal niet een jota of een tittel van de wet voorbijgaan, totdat alles is gebeurd". Hier betekent wet eigenlijk het hele Oude Testament. Zoals Paulus dat ook wel eens doet. Dan citeert hij de wet, zegt hij, maar dan citeert hij een psalm. Dan bedoelt hij met wet het hele Oude Testament. Dat Oude Testament wordt vervuld in de persoon van de Messias en uiteindelijk in zijn koninkrijk. Dat is de derde betekenis van vervulling. En ten vierde zou je kunnen zeggen, Hij heeft die wet laten opgaan in een hogere wet. Dat is de wet van Christus. Je vindt die uitdrukking in 1 Cor.9:21 en in Gal.6:2, de wet van Christus. Wat is dat, die wet van Christus. Als je de vraag stelt aan een christen, wat hebben wij te maken met de wet van Mozes, dan kun je drie antwoorden krijgen en u mag zelf weten wat u de beste vindt. Let op. Het eerste antwoord is, die wet van Mozes daar zijn wij van begin tot eind nog helemaal aan gebonden. Dat is het antwoord dat je hoort van veel messiaanse Joden, dat is het antwoord dat je hoort van de Zevende Dag Adventisten. Dat is de eerste opvatting. Kijk maar, er wordt dit vers aangehaald, de Here Jezus heeft zelf gezegd, Hij is niet gekomen om de wet op te heffen, oké, dus die wet is nog ten volle van kracht. Wij staan onder de hele wet van Mozes. De tweede opvatting, die zult u in reformatorische kringen aantreffen, de morele wetten die zijn voor ons nog steeds van toepassing, met name de Tien Geboden, maar de civiele en de ceremoniële wetten die zijn afgeschaft. Daar hebben we niets meer mee te maken. Dat hoort bij de tempel en de offerdienst, enz. Die zijn afgeschaft.

En de derde opvatting die luidt, (en dat bij heel veel evangelicalen die opvatting): "wij hebben met de wet helemaal niets meer te maken". Want de Here Jezus, zegt Paulus in de brieven:"Christus is het einde van de wet voor een ieder die gelooft". Rom.10:4. En wij zijn niet meer onder de wet maar onder de genade zegt Rom. 6. Dus die reformatorischen zien het helemaal fout want die denken dat wij nog stiekem wel onder een deel van de wet zijn. En die messiaanse Joden hebben het natuurlijk helemaal fout want die denken dat wij onder de hele wet zijn. Nou ... Wat is nou de beste van die drie? En tot uw verrassing zult u misschien gewaar worden dat ik het met alle drie hartgrondig oneens ben. Dat is wat ... Er moet dus nog een vierde mogelijkheid zijn!

En wat is die vierde mogelijkheid? Die vierde mogelijkheid is: "wij zijn onder de wet van Christus", in die zin ben ik het dus eens met die derde opvatting,"wij zijn niet onder de wet van Mozes, ook niet onder een stukje daarvan". Maar ik ben het niet met de evangelische opvatting eens dat wij helemaal niet meer met het principe van wet te maken hebben. Maar dat komt, van oudsher was, net als in reformatorische kring en in evangelische kring ook, het evangelie van het Koninkrijk totaal verwaarloosd dat is nu pas weer aan het herstellen. En hebt u ooit van een koninkrijk gehoord zonder wetten? Ondenkbaar! Dat zou een puinhoop worden! Stel je voor dat we allemaal mochten beslissen of we links of rechts van de weg gingen rijden. Een koninkrijk zonder wetten bestaat niet! En zeker bij een zo'n groot Koning dan verwachten we goede heilige wetten. Zelfs van de wet van Mozes wordt al gezegd:"de wet was heilig, rechtvaardig en goed", in Rom.7, hoe dan wel niet de wetten van het Koninkrijk. Dus opvatting één klopt niet, wij zijn niet onder de wet van Mozes. Trouwens ik als goj, als iemand uit de volkeren was helemaal nooit onder de wet van Mozes, die is aan Israël gegeven en nooit aan de volken. Dat is ook het bezwaar tegen die tweede opvatting. Ik ben dus ook niet onder de Tien geboden, want ik ben niet onder de wet van Mozes dus ook niet onder een stukje daarvan. Nergens in het Nieuwe Testament worden die Tien geboden als zodanig op ons toegepast. Maar, en dat is mijn bezwaar tegen de derde opvatting, ik ben wel degelijk onder de wet! Ik ben onder de wet van Christus en ik zal u ter geruststelling erbij vertellen:"negen van de Tien geboden vind je ook terug in de wet van Christus", maar dan in een veel rijkere, hogere en diepere vorm. Dat gaan we de volgende keer eens zien. U wilt natuurlijk weten wat het tiende gebod is, dat is het sabbatsgebod. Dat is het sabbatsgebod maar daar ga ik lekker niet over uitweiden. Wilt u per se er iets meer over horen, dan moet u het straks vragen. Dat is de toets voor alle drie de systemen het sabbatsgebod.

Maar wij zijn onder de wet van Christus. En die wet van Mozes, ik zeg dat zo, er is dus geen groot contrast er is eigenlijk maar één wet. De wet van Mozes is daar een variant van en de wet van Christus is een veel diepere, hogere en rijkere variant. Ik zou liever op zondag, en als ik wel eens in een hervormde dienst mag voorgaan dan vraag ik dat ook, ik zou liever in een nieuw testamentische variant die wetten willen voorlezen. Waarbij veel meer de diepte van die geboden aan het licht gebracht wordt. Oké, maar dat even terzijde. Maar dat is het waar de Here Jezus over spreekt. Vervullen is misschien wel de mooiste betekenis, dat Hij alles wat van eeuwigheids waarde is in die wet van Mozes laat opgaan in een veel hogere wet. Dat is Zijn wet, dat is de wet van Christus. In die zin is Hij inderdaad een nieuwe wetgever, een nieuwe Mozes, dat is de wet van Christus. In die wet van Christus mag je nog steeds niet liegen en stelen en echtbreken, maar dat is daar allemaal weer anders geformuleerd. Ik kan u één voorbeeld geven en dan loop ik vooruit op de volgende keer. De wet van Mozes zegt: "gij zult niet doden". De wet van Christus zegt :"je moet je broeder zo liefhebben dat je bereid bent jouw leven voor hem in de waagschaal te stellen. En als jij dat niet doet, als jij met je leven een broeder had kunnen redden en je deed het niet, dan ben je schuldig aan het zesde gebod". Waauw dat is nog eens wat anders hè? Dat is nu een wet die tot haar heerlijkste en grootste en rijkste diepte is uitgediept. Dat gebeurt in het oude testament nergens! Daarvoor hebben wij de nieuwe Mozes nodig ... en zo kun je met alle Tien geboden doen. Dat is het huiswerk voor de volgende keer, dat u alle Tien geboden zelfstandig uitwerkt om eens te begrijpen voor uzelf hoe zou je die nu kunnen vertalen in de wet van Christus.

Wie dan een van deze geringste geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal de geringste genoemd worden in het koninkrijk der hemelen. Kijk dat is wat we doen als we onder een wet staan, en dat zie je altijd overal, vooral waar wetten worden opgelegd. Daar moeten we even een tussenopmerking over maken, die ik wel eens vaker gemaakt heb omdat ik het zo belangrijk vind. Hoe meer regeltjes, wetjes en gebodjes je in een geloofsgemeenschap vindt, hoe meer dat dienen moet om een gebrek aan innerlijke geestelijke substantie te verhullen. Moet ik die moeilijke zin nog een keer zeggen? Hoe minder van binnen zit des te meer regeltjes en wetjes en gebodjes van buiten. Ik geloof werkelijk met de volheid van m'n hart, als wij de Heilige Geest zouden prediken en mensen zouden leren prediken uit de Heilige Geest, zou je geen wet meer te hoeven voorlezen. Maar omdat we, en dat is het tweede verwaarloosde onderdeel in de dogmatiek, als we zo weinig van de kracht van de Heilige Geest weten, hoe houden we dan toch de boel een beetje bij elkaar? Met wetten, regels, geboden: "raak niet, smaak niet roer niet aan". Dat is kunstmatig en is ten dode gedoemd. Want je ziet dat mensen op allerlei manieren gaan proberen daaraan te ontkomen, dat is wat hier beschreven wordt. Dat is wat de farizeeën deden. Sommige geboden maakten ze nog veel strenger, veel strenger dan de Here Jezus had bedoeld. Dat deed Eva al in het paradijs:"De Here heeft gezegd we mogen niet van die boom eten nog die aanraken", maar dat had de Here helemaal niet gezegd. Maar dat doen wettische mensen. Ze maken de geboden strenger om daardoor andere mensen te kunnen manipuleren. Ze geven een heel bijzondere strenge uitleg daarin en daarmee verwerven ze macht over mensen. Bespaar het mij dat ik daar allemaal voorbeelden van moet noemen want het is pijnlijk soms om te noemen. Maar er zijn andere geboden die hen zelf ook niet erg aanstaan waar ze proberen omheen te zeilen. Bijvoorbeeld je moet goed zijn voor je vader en moeder, dat is een voorbeeld dat de Here Jezus in het Markusevangelie noemt. Nou dat wisten zij ook, ze hielden zich aan de wet, maar ze hadden ontdekt een truc: als je nou maar zei het is korban (d.w.z. het is aan de Here gewijd, het is voor Hem) dan was je van dat gebod verlost. Dan hoefde je het niet te doen want wat aan de Here gegeven is hoef je niet meer aan je ouders te geven. Dat is nu echt een truc. Je houd je aan de geboden ... maar in feite ga je natuurlijk om de kern van die geboden heen. Want de kern van dit gebod is de liefde voor je vader en moeder. Dit is de meest grove en erge en ergerlijke en irritante vorm van wetticisme. Met dit soort trucs de kern van de wet omzeilen. Dat is wat de Here Jezus zegt. Jullie ziften de muggen eruit want jullie willen geen onreine dieren binnen krijgen want dat staat in de wet. Ja, dat klopt dat staat in de wet, maar jullie hebben niet in de gaten waar het in de wet ten diepste om gaat om liefde, om trouw, om oordeel, om barmhartigheid.

Dat is de geest van de wet en als jullie geen liefde uitstralen maar hardvochtigheid zogenaamd vanwege de heiligheid van God, want daar hebben die mensen het heel veel over, zogenaamd om de heiligheid van God, maar in feite hebben jullie het over de hardvochtigheid, zoals die slaaf in de gelijkenis:"Ik wist dat u een hard en streng mens bent". Nou als je onder zulke manipuleerders bent krijg je zo'n indruk van God, God als een hard en streng God. Maar zo is God niet zo hebben die mensen Hem gemaakt. En ze maken Hem zo om daardoor zelf de macht over de mensen uit te oefenen. Daarom is wetticisme zo erg. En ik zal u vertellen om u te troosten, nou te troosten? Laat ik het anders zeggen om niet naar anderen te wijzen, de farizeeër zit in elk van ons. Al die dingen die ik noem zitten in mijn eigen hart. Ik heb het niet over jullie want van jullie weet ik veel minder kwaad dan van mijzelf, maar ook in mijn hart zit dat ellendige farizeeërtje ... Waar ik de neiging heb om geboden .. makkelijker te maken of überhaupt geboden te stellen, waar ik mensen geneigd ben te manipuleren door ze geboden op te leggen. Dat is iets wat in ons eigen hart zit. Daarom dit gedeelte spreekt ons allemaal aan in dat farizeeërtje dat in ons hart zit. Lees maar eens Mattheus 23 dat wee u, wee u, wee u van de Here Jezus, daar wordt Hij nu eens echt echt boos. Ik kan u zo wat wetticisme demonstreren bij onszelf. Wij worden boos over de tollenaars en de zondaars en de hoeren en al die ... verschrikkelijke mensen ... Let maar op! Daar winden wij ons over op! We winden ons nooit op over de farizeeërs in ons midden, laat staan over de farizeeër in ons eigen hart. We doen dus precies wat die farizeeërs in het evangelie deden, die met diepe verachting neerkeken op de hoeren en tollenaars en de zondaars."Here God ik dank U dat ik ... niet ben als andere mensen vooral niet als die tollenaar daar". Die houding, dat is zo de godsdienstigheid ten top!!!! Ik dank U dat ik niet ben zoals die andere mensen vooral die tollenaar ... terwijl die tollenaar ... ging gerechtvaardigd naar huis. Luisteren we eigenlijk wel naar de Here Jezus? Luisteren we wel of hebben we hem alweer onschuldig gemaakt? Hebben we de angel er allang uit gehaald, en weten we prachtig te preken? Ik heb dat in een vorig seizoen gedaan over de farizeeër en de tollenaar en toen gezegd:"op een bepaald moment zeggen wij zelf nog Heer ik dank u dat ik niet zo ben als die farizeeër".Dan hebben we er net niks van begrepen!... Dan hebben we hele zaak gewoon op zijn kop gezet!............... De Here Jezus zegt:"Als je zo doet ben je vanuit het gezichtspunt van het Koninkrijk der hemelen een heel gering mens".Als je denkt dat de koning gediend kan worden door dit soort uitwendige vroomheid, door dit soort uitwendige wetbetrachting zonder die liefde en die trouw en die barmhartigheid in je hart ... vergeet het dan maar! Dat is ook wel de boodschap van het oude testament trouwens, dat hebben de profeten ook gezegd:"God zegt Ik wil barmhartigheid en geen offers!" "Houd op met al dat feesten van jullie!" zegt Hij in Amos."Houd op met al dat uitwendige gedoe! Wat allemaal lucht en leegte is, opgeblazenheid! Ik wil jullie harten!! Ik wil jullie liefde zien, jullie barmhartigheid tegenover je verdrukte medemens! In plaats daarvan zijn jullie uiterlijk met wetbetrachting bezig, maar jullie verloochenen de geest van de Thora.

Die geest van de Thora was natuurlijk altijd het zelfde want de Thora komt van God. Ziet u daarom is dit zo'n ongelooflijk streng woord:"Ik zeg u als u gerechtigheid niet overvloediger is", letterlijk staat er: als uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die van de schriftgeleerden en farizeeën. Als jullie gerechtigheid net zo is als die van de farizeeën en schriftgeleerden, van hetzelfde soort en hetzelfde type, forget it, dan kun je geen discipel in mijn koninkrijk zijn". Dat wordt wel verschillende keren gezegd. In hoofdstuk 7 zegt hij het nog eens een keer, later in hoofdstuk 12 ,elke keer zegt hij:"als je zo doet, kun je geen discipel van mij zijn". Als je gerechtigheid van dat type is: uitwendige godsdienstigheid, en denk erom er zijn heel wat christenen in dit land die ook niet meer weten dan dat, dat zijn de mensen voor wie hun godsdienstigheid bestaat uit het vervullen van een aantal godsdienstige verplichtingen. Vaak kun je ze niet kwalijk nemen, ze weten niet beter. Misschien heeft ook wel niemand het ze verteld. Ze denken als ze hun plichten trouw vervullen dan hopen ze op het eind dat God barmhartig zal zijn met hen. Het is zo droevig !!

De Here Jezus is, ik zou bijna zeggen, tégen de godsdienstige mensen. Dan begrijpt u hopelijk goed wat ik bedoel, want we zijn natuurlijk allemaal godsdienstig, maar nu heb ik het over dit soort uitwendige godsdienstigheid. Deze vormendienst ... waarbij die mensen zelf niet eens in de gaten hebben hoe innerlijk leeg en arm ze zijn. De Here Jezus zegt als jullie gerechtigheid ook van dit soort is, wettisch, uitwendig, in feite liefdeloos, in feite ook constant eropuit om de kantjes eraf te lopen en de geboden aan te passen naar je eigen smaak maar toch zodanig alsof het net lijkt dat je wandelt in mijn geboden dan hoeft het voor mij niet, dan kun je geen discipel zijn in het Koninkrijk der hemelen. Nou u ziet het lieve mensen we hebben nog heel wat voor de boeg van dit soort. De Bergrede raakt ons allemaal, als je maar goed luisteren wil, heel heel diep. Het boort, dit is een wortelkanaalbehandeling, het boort zo diep dat het echt pijn gaat doen, maar ik ga het ook niet verdoven. Het boort heel diep want het legt bloot wat voor soort mensen we zijn. Nogmaals dit is geen preek tegen zondaren die zich moeten bekeren, dat kan ik niet vaak genoeg herhalen, dit is een preek tegen discipelen van de Here Jezus, degenen die het al zijn of claimen te zijn. Dit moet je goed onthouden: dit is geen boodschap van prediking van zondaren tot bekering. Dit is, ik zou bijna zeggen, dit is voor discipelen die zich moeten bekeren als u begrijpt wat ik bedoel.

Nou als u zegt, ik vond het allemaal toch nog een beetje moeilijk, hoe zit het nou met die wet. Blijf gewoon komen, want de volgende keer, vanaf vers 21 tot het einde van dit schitterende hoofdstuk, wordt het helemaal uit de doeken gedaan, gebod voor gebod. Dan zie je prachtig het contrast tussen het systeem van de farizeeën en de schriftgeleerden, dat is ook het systeem van de hedendaagse farizeeën en schriftgeleerden, en aan de andere kant de wet van Christus, hoe dat echt functioneert. Laat het onze levens mogen veranderen, zodat we die farizeeër die ook in ons zit eronder krijgen. In de kracht van God en in de naam van de Here Jezus Christus. God zegene Zijn woord.

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?