Hart voor Waddinxveen


(4) Lezing gehouden op 3 december 2010 over "Jezus en de traditie (II)" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
zondag, 03 april 2011 23:13

Ik lees weer uit de Telosvertaling, Mattheüs 5 vanaf vers 33 tot het eind van dit hoofdstuk. "U hebt eveneens gehoord dat tot de ouden gezegd is: 'u zult geen valse eed zweren maar de Here uw eden houden.' Maar Ik zeg u helemaal niet te zweren. Niet bij de hemel want hij is de troon van God, niet bij de aarde want zij is de voetbank voor Zijn voeten, niet bij Jeruzalem want zij is de stad van de grote Koning, niet bij uw hoofd zult u zweren want u kunt niet één haar wit of zwart maken. Laat uw woord 'ja' echter ja zijn en uw 'nee' nee. En wat meer is dan dit is uit de boze. U hebt gehoord dat gezegd is: 'oog om oog en tand om tand' maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan maar wie u op uw rechterwang slaag, keer hem ook de andere toe. En wie met u een rechtsgeding wil voeren en uw onderkleed nemen, laat hem ook de mantel. En wie u tot één mijl zal dwingen, ga met hem twee. Geef aan hem die van u vraagt en keer u niet af van hem die van u wil lenen. U hebt gehoord dat gezegd is: 'u zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten' maar Ik zeg u: 'heb uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen' opdat u zonen wordt van uw Vader die in de hemelen is. Want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer? Doen ook de volken niet hetzelfde? Weest u dan volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is." Tot zover lezen we uit het Woord van God.

 

Boven deze avond staat geschreven: Jezus en de traditie, tweede deel. Traditie dat is een heerlijk onderwerp om over na te denken en om over te bakkeleien met elkaar. We verzekeren elkaar dat tradionalisme, verabsolutering van de traditie natuurlijk verkeerd is maar dat er op zichzelf met tradities niets mis is. En dat is ook zo. Sommige mensen die zo'n grote hekel aan tradities hebben die zouden eens moeten lezen wat van de Here Jezus geschreven staat: Hij ging naar gewoonte naar de synagoge. Wij hadden iemand in onze gemeente die was er heel vaak zondagsmorgens niet en we vroegen waar hij was en hij lag in zijn bed en hij zei: ja, het moet geen sleur worden om naar de samenkomst te gaan. En wij zeiden dan: het moet ook geen sleur worden om in je bed te blijven liggen. Van de Here Jezus staat: Hij ging als naar gewoonte naar de synagoge en Hij ging ook naar gewoonte de berg op om te bidden. Er is niks mis met goede gewoontes. Maar u weet ook wel dat de grens tussen traditie en traditionalisme heel dun is. Het één gaat heel gemakkelijk over in het ander. Dan worden tradities gestold. Dan raken ze vast, dan worden ze rigide en het zijn maar tradities maar in de tussentijd kun je het ook bijna niet meer anders doen dan volgens die tradities. Dat betekent eigenlijk dat de frisheid van het Woord van God, dat als een bruisende beek is, steeds meer gekanaliseerd wordt. Het is nog steeds het Woord alleen het water mag alleen maar stromen door een kanaal dat wij daarvoor hebben uitgegraven. En als dat op een andere manier zou stromen dan voelen we ons daarbij onwennig. Heel vaak zijn mensen het niet eens met dingen terwijl ze zelf niet doorhebben dat het niet zozeer is dat ze het er niet mee eens zijn maar dat het onwennig voelt want ze zijn het anders gewend. En daar moet je niet mis over denken want dat hebben we allemaal wel een beetje. We doen allemaal, de één meer dan de ander, dingen graag op een bepaalde manier. Maar tradities gaan heel gemakkelijk over in traditionalisme. Dan mag het ook alleen nog maar op die manier. Dan kan het ook niet meer anders. En dan ben je vaak ver van het ideaal af. En zeker als het gaat om orthodoxe mensen of dat nou joden of christenen zijn. Die dus vasthouden aan het orthodoxe woord maar het orthodoxe woord door allerlei toevoegingen en vaak ook door allerlei afzwakkingen eigenlijk helemaal in de mal gedrukt hebben van hun eigen uitleggingen. Die lijken wel heel orthodox maar ze hebben dat woord gekneed naar hun eigen smaak en behoeften. En dat is waar de Here Jezus in de bergrede, in dit hoofdstuk met name, steeds weer tegen inging. En we hebben het overdacht en ik zeg het u nog een keer voor het geval dat u het vergeten bent of u was er niet bij de vorige keer, steeds gaat het bij deze verschillende perikopen om, ten eerste om de vraag: wat hadden joodse tradiotionalisten nou van die teksten gemaakt? Ze waren orthodox, ze accepteerden die bijbelse woorden uit de wet van Mozes, maar ze hadden daar ongemerkt of gemerkt toch een heel eigen vorm aan gegeven door hun eigen toevoegingen. De Here Jezus, ik zeg het nog weer met grote nadruk, spreekt nergens de wet van Mozes tegen. Dat zou ondenkbaar zijn. Als God de Zoon heeft Hij zelf ooit die wet bedacht en gegeven. Hij spreekt zichzelf niet tegen. Maar wat Hij wel tegenspreekt is wat de traditie ervan gemaakt heeft. Wij zeggen heel vaak 'de Bijbel zegt' maar dat zegt de Bijbel niet werkelijk. Wat we bedoelen is 'de Bijbel zegt het op mijn manier' en dan citeer je niet werkelijk meer de Bijbel. Je laat de Bijbel buikspreken. Dat is wat keer op keer hier gebeurt.

Het tweede wat de Here Jezus doet is dat Woord nog vaak verscherpen. Dus dat Woord eerst terugbrengen tot zijn oorspronkelijke bijbelse vorm en dan laten zien hoe onder Hem de nieuwe Wetgever, de nieuwe Mozes, zoals Hij genoemd is, die wet een nog rijkere en diepere inhoud krijgt. Aan de ene kant verscherpt, nog strenger gemaakt omdat hier de volle eisen van Gods heiligheid en gerechtigheid ten volle tot gelding gebracht kunnen worden maar de andere kant: elk van die geboden als het ware omkeert in hun tegendeel, in hun positieve tegendeel. Waar heel veel van die geboden een negatief uitgangspunt hebben, aangepast aan het niveau van het volk van destijds daar haalt de Here Jezus dat positieve eruit waar het in dat gebod ten diepste omgaat.

Nou, zo hebben we dat gezien voor het zesde gebod vanaf vers 21 waar het gaat over het 'gij zult niet doden', vanaf vers 27 over het zevende gebod 'gij zult niet echtbreken', dat betekent 'gij zult niet overspel plegen' en dan nu het derde gebod in vers 33 waar het gaat over het vals getuigenis afleggen waar het gaat over de naam des Heren ijdel gebruiken. En de Here Jezus begint zo in vers 33: 'U hebt eveneens gehoord dat tot de ouden (dat zijn dus de vroegere generaties van het joodse volk) gezegd is 'U zult geen valse eed zweren maar de Heer uw eden houden'. Nu dat vindt u in Leviticus, in Numeri en in Deuteronomium; elke keer wordt deze kwestie aan de orde gesteld. En als hier dan ook staat: 'maar Ik zeg u' dan kun je je goed voorstellen dat mensen vaak gedacht hebben 'kijk, hier zie je nou heel duidelijk dat de Here Jezus die wet van Mozes tegenspreekt. Hij citeert die wet. Die wet zegt: 'je moet je eden houden, je mag geen valse eden zweren' en dan komt de Here Jezus en Hij zegt 'maar Ik zeg u'. Nou, dat betekent toch duidelijk dat Hij die wet tegenspreekt en toch is dat niet zo.

Laten we eerst maar eens letten op wat de joden daarvan maakten. Dat moet u indirekt afleiden uit de woorden die erop volgen. Als je geen valse eed mag zweren is er een heel makkelijke manier om dat te voorkomen dat is dat je dan helemaal niet meer zweert bij God. En dan ga je zweren bij iets dat in de verte aan God herinnert maar dat niet helemaal dat is. U weet misschien dat zweren en vloeken heel dicht bij elkaar liggen. In het Engels heb je 'swear' en dat is duidelijk ethymologisch verwant met 'zweren' maar daar betekent het 'vloeken'. Door de Engelse oorlogen die zij de 'dutch wars' noemen uiteraard, daar hebben ze onder andere de spreuk ontwikkeld 'swear like a Dutchman' dat betekent 'vloeken als een Hollander'. Dat sloeg dan op onze Hollandse zeelui. Maar dan ziet u 'swear' betekent 'vloeken'. Als je zweert doe je dat bij de naam van God. Je zegt 'zo waarlijk helpe mij God almachtig'. Maar als je dat niet werkelijk meent of als je die eden breekt dan heb je de naam van God ijdel gebruikt. Je hebt die naam van God voor jou karretje gespannen om jouw woorden kracht bij te zetten terwijl je het niet meende of in elk geval, je hebt die woorden niet waar gemaakt. En dan wordt je eed een vloek. De vloeken die wij kennen hebben oorspronkelijk ook die vorm van een eedzwering, zoals je dat in het Oude Testament ook vindt 'zo moge de Here mij doen, ja nog erger als ik niet dit of dat ...' Dat is typisch een eedzwering. Als ik mijn eed niet houdt dan moge de Here mij straffen op deze of die manier. De ergste vloek die wij in Nederland kennen is precies op die manier ontstaan. De Here God moge mij verdoemen als ik mijn woorden niet houdt. Op die manier worden woorden kracht bijgezet door de naam van God erbij te halen. En dat doe je om meer indruk te maken. Je wilt iemand ervan verzekeren dat je de waarheid spreekt en dat doe je door God erbij te halen. En als je nu als een slimme jood bang bent dat je je daarmee vergaloppeert door die naam van God op een ijdele wijze dus een vergeefse wijze, misplaatste wijze te gebruiken dan zweer je bij iets dat minder is. Dan zweer je bij de hemel. Zelfs in de Bijbel vind je daar sporen van. De verloren zoon zegt 'ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u' dat betekent natuurlijk 'gezondigd tegen God'. Maar hij zegt niet 'God', hij zegt 'de hemel'. Eigenlijk, de hele uitdrukking 'het Koninkrijk der hemelen' is een verzwakte uitdrukking voor 'het Koninkrijk Gods'. Dus het is heel makkelijk om, als je dat 'God' wilt vermijden om dan 'de hemel' te zeggen. Maar wat de Here Jezus zegt is het blijft een eedzwering. Al heb je dan het woord 'God' door 'hemel' vervangen en als je nog een stapje verder gaat dan wordt het 'de aarde'. Dat is in onze taal nou niet zo direkt gebruikelijk maar u weet als iemand 'mijn God' zegt als krachtterm kan het makkelijk vervangen worden door 'mijn hemel' en dat kun je vervolgens vervangen door 'mijn aarde'. In het Nederlands kennen we dat niet maar in het Afrikaans, u weet dat zijn allemaal geëxporteerde Hollanders, daar is dat heel gewoon om te zeggen 'my arde'. Dat kennen wij niet maar zij doen dat wel. Dat is gewoon een krachtterm waarbij via God naar de hemel, naar de aarde, het steeds verder afgezwakt is maar het gaat nog steeds over hetzelfde. Ik heb meermalen dat tegen ze gezegd. Daar waren ze heel verbaasd over want daar dachten ze natuurlijk totaal niet meer aan. We zouden uit het Afrikaans nog meer leuke voorbeelden van bastaardvloeken zijn te noemen maar die zal ik nou vanavond hier niet behandelen.

Maar je kunt ook een stapje verder gaan. Je kunt zeggen niet bij Jeruzalem, dat is de stad van God, dat zegt de Here Jezus ook – de stad van de grote Koning. Als je bij Jeruzalem zweert, zweer je uiteindelijk toch nog steeds bij God want Jeruzalem is Zijn stad. En als er ten slotte staat 'je kunt ook nog zweren bij je eigen hoofd', nou dat lijkt dan wel zover al van God af te staan als je maar kunt, lijkt het maar in feite wie ben je. Je hoofd, dat is je leven, dat ben je zelf. Heb je dat leven in de hand? Natuurlijk niet. Er staat hier een woord dat natuurlijk vandaag totaal niet meer geldt 'we kunnen niet één haar wit of zwart maken'. Nou, als ik hier zo rondkijk dan weet ik niet hoeveel zusters nog de natuurlijke kleur van hun haar bezitten. Wij hebben dat vermogen wel maar de bedoeling is natuurlijk duidelijk. Ergens anders staat 'je kunt geen el aan je lengte toevoegen. Dan kun je zeggen is dat je levenslengte of je lichaamslengte maar in elk geval er zijn dingen daar hebben we geen grip op. Zelfs als je zweert bij jezelf, zweer je bij een schepsel van God wiens leven ligt in Gods hand. Dus indirect wordt hier aangegeven wat de traditie ervan maakt. De traditie zegt 'je mag niet zweren', je mag in elk geval de naam van God niet ijdel gebruiken. Je mag dus niet vloeken. Dan wordt een eed heel gemakkelijk een vloek. Dan wordt zweren 'swearing' als u begrijpt wat ik bedoel en die grens ben je zomaar overgegaan. Dus zweer je bij iets lagers. Nou zegt de Here Jezus op zijn beurt je kunt beter maar helemaal niet zweren. Dat is niet een tegenspreken van de wet maar dat is de wet in feite aanscherpen. De beste manier om te zorgen dat je de naam van God niet ijdel gebruikt is die naam helemaal niet als krachtterm te gebruiken. Bij de joden is dat zo ver gegaan, dat weet u wel, dat de naam Jahweh nooit door een jood wordt uitgesproken. Als hij in de Bijbel voorkomt en hij leest de Hebreeuwse tekst voor in de synagoge dan leest hij in plaats van Jahweh, Adonaï, Heer. Dat is trouwens de hele reden waarom dat woord Heer eerst in de Griekse vertaling terechtkwam en vandaar terechtkwam in onze Nederlandse vertalingen. Via Luther, die heeft dat ook overgenomen, dus vandaar dat wij nu Heere hebben met drie e's. Met hoofdletters en Heere met kleine letters. Als het staat met hoofdletters is dat de weergaven van Jahweh. En zelfs in de Herziene Statenvertaling mag ik u mededelen, want ik heb er al een blik in mogen werpen, is Heere nog steeds met drie e's. En het argument is dat is omdat het een naam van God is. Dat is natuurlijk één groot misverstand zoals er heel veel misverstand rond de Statenvertaling zijn want het is geen naam, het is een titel. Een titel die men daarvoor gebruikt omdat men de naam niet wil uitspreken. Maar daarmee is die titel nog geen naam geworden. Maar goed, daar zullen we ook maar niet over uitweiden. Maar het is dus, dat hele woord Heere is niets anders dan een poging om de naam – en die naam is niet Heere, die naam is Jahweh – om die naam te vermijden. En dat is begrijpelijk. Dus de joden hebben dat woord zó streng opgevat dat ze dat woord, de naam van de Heere God maar helemaal niet meer houden.

Nou kun je dat een vorm noemen van overdreven wetsbetrachting om dan maar helemaal niet meer die naam van God niet meer te gebruiken maar als je kijkt wat de Here Jezus hier ons wil voorhouden is het juist heel belangrijk. En dat is dit: je moet het als discipel van Mij, zegt Hij, niet nodig hebben je woorden kracht bij te zetten door de naam van God erbij te halen. Dat moet je niet nodig hebben. Je moet een mens zijn die als zó betrouwbaar bekend staat dat je ook zonder dat je de naam van God erbij haalt door de mensen vertrouwd wordt. Laat je 'ja' ja zijn en je 'nee' nee en dat moeten de mensen van jou weten.

Nou moet ik hier even tussendoor zeggen dat bijvoorbeeld doopsgezinden altijd uit dit vers hebben afgelezen dat je geen eed mag afleggen. Ook niet voor de overheid. Maar we zullen dat straks op andere punten ook zien. De positie van de overheid en onze relatie tot de overheid is een heel andere materie. De bergrede is niet geschreven voor de overheid. De overheid moet wel haar vijanden haten. De overheid moet beslist niet de rechter wang toekeren. Als iemand je op de rechter slaat dan de linker wang toekeren. De overheid moet deze inschikkelijkheid helemaal niet hebben. En de overheid mag wel degelijk van jou de eed eisen. Als u er anders over denkt, ik vind dat allemaal prima. Als u zegt, ik leg liever de belofte af, ik neem dat woord letterlijk, allemaal best. Alleen ik denk niet dat het daarover gaat. Dit gaat niet over de overheid. En ik heb er een argument voor en dat is in Mattheüs 26, neemt Kajafas de Here Jezus de eed af op de joodse wijze. Wij hoeven alleen maar de woorden te antwoorden 'zo waarlijk helpe mij God almachtig' nadat de overheidspersoon de inhoud van de eed heeft voorgelezen. In Israël was het zo dat het de rechter was die zei 'Ik bezweer u bij de levende God'. Hij gebruikte dus de naam van God. Maar dat maakt voor het effect van het uiteindelijke resultaat totaal geen verschil. Daar werd de Here Jezus onder ede geplaatst. Met aanroeping van de naam van God werd Hij opgeroepen de waarheid te zeggen. En de Here Jezus had tot dat moment gezwegen. Hij zweeg onder al die valse aanklachten. Behalve op het moment dat Hij onder ede geplaatst wordt. Dan antwoordt Hij. Hij respecteerde deze officiële ambtelijke eed. En dat betekent dat ik er dus geen enkele moeite mee heb. Voor mezelf niet hoewel het me nog nooit overkomen is maar ook niet voor anderen. Om voor de overheid of bijvoorbeeld in je beroep de eed af te leggen zoals artsen dat moeten doen en andere mensen in belangrijke functies waar mensen aan hen toevertrouwd worden, om een eed af te leggen. Integendeel, het is een belangrijk getuigenis zelfs naar de mensen toe tegenover alle andere die zeggen 'dat verklaar en beloof ik'. Dus daar gaat het hier helemaal niet over.

Waar het over gaat is wat voor mens ben je? Hoe kennen ze je? Ben je iemand die makkelijk dingen belooft en niet nakomt? Ben je iemand die makkelijk dingen mooier voorspiegelt dan ze werkelijk zijn. Kennen ze je als een transparant mens? Een mens waarvan anderen weten dat je dit niet nodig hebt om je woorden kracht bij te zetten. Want dat is het. We gebruiken die term, krachtterm, waarmee we bedoelen dat je om je woorden kracht bij te zetten, dat wil zeggen om meer indruk te maken met wat je zegt, haal je er de naam van God bij. Dat moet je als christen niet nodig hebben. Laat je 'ja' ja zijn en laat je 'nee' nee zijn. Wees een krachtig getuige voor de naam van God en geef geen vals getuigenis. In de rest van het Nieuwe Testament vind je daar zulke prachtige voorbeelden van. Je kunt de eed vermijden en je kunt vloeken vermijden en nooit komt er een lelijk woord of zelfs een bastaardvloek over je lippen maar dat op zichzelf maakt je nog niet tot een betrouwbaar getuige. Dat is nou typisch die wettische houding waarbij je zegt 'Nee, dat zal mij nooit overkomen' . Nooit een lelijk woord, nooit een krachtterm, nooit een bastaardvloek komt over mijn lippen' maar dat is de negatieve houding. Waar het om gaat is niet of de mensen je op een halve vloek kunnen betrappen maar de vraag is of de mensen je kennen als een door en door transparant betrouwbaar, oprecht en eerlijk mens. Een getuige van de waarheid. Paulus schrijft aan de Kolossenzen 'Laat uw woord altijd in genade zijn met zout besprengd. Dat soort mensen. Die woorden spreken waarin de genade van God doorklinkt. En dat niet op een zoetsappige wijze, maar met zout besprengd. Met de pit en het bederfwerende wat het zout eigen is. Het mooiste voorbeeld is eigenlijk de Here Jezus zelf, die ook zweeg voor Pilatus, totdat ook Pilatus Hem als het ware moreel dwingt om te spreken." Ben je de Koning van Israel." En dan zegt de Here Jezus: "Ik ben gekomen om in deze wereld van de waarheid te getuigen." Pilatus relativeert dat: "Wat is waarheid?" "Ieder die mij hoort kent de waarheid." In 1 Tim 6 wordt daarvan geschreven: de Here Jezus heeft de goede belijdenis afgelegd voor Pontius Pilatus. En dat wordt aan Timoteüs tot voorbeeld gesteld. Om waar dan ook voor rechters en overheden, maar in het algemeen in het leven, de goede belijdenis af te leggen. Nogmaals, wettische mensen zijn er tevreden mee dat ze verkeerde woorden vermijden. Maar discipelen van Jezus die kijken niet zo zeer naar de verkeerde woorden die je moet vermijden, maar de goede woorden die je moet spreken. Dat is de diepste zin van het gebod van Christus. Waar gaan je woorden over. Woorden in genade, met zout besprengd.

Hier vind u het volgende in vers 38: "U hebt gehoord dat gezegd is oog om oog en tand om tand." Nou, dat is een woord dat je verschillende malen tegen komt in de wet van Mozes. En weer staat hier: "Maar ik zeg u". En weer lijkt het erop alsof de Here Jezus hier een woord uit de wet van Mozes regelrecht tegenspreekt. Maar ook hier is dat schijn. Maar het probleem ligt hier op een ander vlak. Dat woord, oog om oog en tand om tand, is uitdrukkelijk een woord voor de overheid. Geen enkel individueel mens heeft het recht om het recht in eigen hand te nemen. Dat is ook in onze rechtspraak zo, niemand mag het recht in eigen hand nemen. Alleen de overheid heeft het recht op vergelding. "Aan Mij is de wrake", zegt de Here God. Vergeldt geen kwaad met kwaad. Laat de wraak over in de handen van de Here God. Integendeel, wees inschikkelijk. En dat was het probleem in de traditie, waar deze woorden ook gebruikt werden voor het dagelijkse leven. Voor de dagelijkse omgang van Joden onder elkaar. Waar ze op deze manier het beginsel van vergelding toepasten, ook in de gewone relaties van mensen van alledag. En daar is het totaal omgekeerd. In de wet van Christus geldt de wet van de inschikkelijkheid. En dat is ontzettend moeilijk. Ik heb het van een ouderling zelf gehoord, van een man die bij hem kwam en die voelde zich zeer onheus bejegend door een andere broeder in de gemeente. En hij had hem een fikse brief geschreven. Hij had eens duidelijk de waarheid gezegd en hij flink op poten dat gezegd. En hij ging naar die ouderling toe en hij zei: "Wat vindt u van die brief?" Hij zei: "Dat is een goede brief. Dat heb je goed gezegd. Dit is precies zoals het is. Je hebt hem goed van katoen gegeven." "Nou, zei hij, ik ben blij dat te horen, dan zal ik hem op de post doen." Hij zei: "Nee, ben je nou helemaal. Je moet hem niet op de post doen. Die brief was voor jou, om lekker af te kunnen reageren, maar dat moet je niet versturen. Dan maak je de dingen alleen nog maar veel erger, dan maak je nog veel grotere brokken. Jij moet die ander winnen door de liefde, niet door hem zijn vet te geven, en dat zeker niet zwart op wit". Tegenwoordig gaat het nog veel gemakkelijker. Ik zal u vertellen, ik heb menig mailtje in elkaar gezet en ik was echt trots op het resultaat, maar ik ben altijd dankbaar dat de Heer me genade gaf om het vervolgens weer te wissen. Ik had mijn gemoed geuit, gelucht. Ik zal niet zeggen dat het altijd gebeurd is en soms had ik er wel spijt van, je weet hoe het is met zo'n ding. Met een brief moet je altijd nog helemaal naar de brievenbus lopen, dan heb je nog 5 minuten om er over na te denken of het nou wel goed is om te doen. Maar ja, een Hollander heeft al die postzegel er op geplakt, dus die verstuurt hem dan ook wel want dat is zonde. Maar een e-mail, met één knop ingedrukt is hij weg. En ik heb menig mailtje gelukkig niet verstuurd. Nou, af en toe zou je ander eens goed de waarheid willen zeggen. Dit is een van de moeilijkste dingen uit de hele Bergrede, de inschikkelijkheid. Het gericht zijn op het welzijn van de ander en niet op de zelfrechtvaardiging. Want die ander goed de waarheid zeggen dat heeft zo vaak te maken met zelfrechtvaardiging, voor jezelf opkomen. "Maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan". Dat zijn van de heerlijke Bijbeluitspraken. Ik kan u uit Jacobus en Petrus zomaar citeren: "Weerstaat de duivel". En hier zegt de Here Jezus: "Ik zeg u de boze niet te weerstaan." Als u voor uw verzameling tegenstrijdigheden in de Bijbel dit kunt gebruiken, nou, dan zou ik het nu opschrijven. Ik leg zelf ook zo'n collectie aan, maar dan meer voor mijn eigen genoegen, want het zijn allemaal schijnbare tegenstrijdigheden. Als het gaat om de geestelijke strijd voor het Evangelie, om pal te staan voor de waarheid van God, dan geldt: "weerstaat de duivel en hij zal van u vluchten". Maar als het gaat om op te komen voor je eigen belangen, je eigen eer, dan zegt de Here Jezus: "Ik zeg u de boze niet te weerstaan." Wie u op uw rechterwang slaat, nou, er van uitgaande dat u rechts bent, dan moet u zich even voorstellen dat u iemand een klap op de wang geeft, waar komt die klap dan terecht? Op de linkerwang. Als je iemand op de rechterwang slaat doe je dat met de achterkant van je hand. En dat is nog een veel gemenere en een veel vernederender klap die je iemand geeft dan anders. En dat is precies de bedoeling. Het gaat om iets dat ons bloed doet koken, dat alles in ons in beweging brengt om die ander van repliek te dienen, desnoods door hem een andere klap te geven. En hier staat: keer hem de andere wang toe. Nogmaals, dat is niet de overheid. De overheid moet hanteren oog om oog en tand om tand. Als een crimineel tegen de rechter zou zeggen: "Meneer de rechter, mag ik u even aanspreken op dit Bijbelse woord. U wilt mij nu kwaad met kwaad vergelden, ik heb kwaad gedaan en u wilt mij dat met kwaad vergelden, maar dat is niet Bijbels. Ik heb tegen de Nederlandse staat gezondigd en wat die Nederlandse staat heeft te doen is mij de andere wang toekeren, dan kan ik daar ook een klap op geven," dan begrijpt u wel, dat werk niet. Dat werkt in geen enkel land en daar is dit ook absoluut niet voor bedoeld. Voor de overheid geldt het beginsel van de vergelding. In ons persoonlijke leven geldt het beginsel van de inschikkelijkheid. En daarom is het ook zo begrijpelijk dat Paulus in 1 Korinthe 6 zegt je mag je wel drie keer bedenken voordat je met een broeder naar een rechtbank toe gaat. Ik zal niet zeggen dat het nooit kan. Er zijn zulke ingewikkelde geschiedenissen, dat je soms de rechter nodig hebt met zijn expertise en wijsheid om gewoon een ingewikkelde zaak uit te knobbelen, als het daarom gaat, oké. Maar als het erom gaat om je gelijk te halen en te krijgen, tegenover een broeder, tegenover een medechristen, 1 Korinthe 6 waarschuwt daar uitdrukkelijk tegen. En ik hoop er voor bewaart te blijven ooit in zo'n situatie terecht te komen. Een broeder voor de rechter te slepen om mijn gelijk te halen.

Als iemand met u een rechtsgeding wil voeren en uw onderkleed nemen, ja dat vind je ook in de Bijbel, in het Oude Testament en in de Torah en de wet van Mozes, dat het onderkleed je kan worden afgenomen als pand. En de wet van Mozes zegt dan al: denk erom, dat kan alleen maar op de dag zelf, voordat het avond is moet je dat kleed weer teruggeven. Want de arme slaapt erin, dat is wat hem warmte geeft in de nacht. Zo barmhartig is de Torah. Maar als hier nou staat als iemand een pand van je eist, nou, ik weet niet hoe ik zou reageren, maar het zou me heel veel moeite kosten om te reageren op deze manier. Geef hem ook je mantel. Wil iemand u pressen om één mijl te gaan, denk maar aan wat de Romeinse overheid vroeg van Simon van Cyrene, die geprest werd om het kruis van Jezus te dragen, ga dan met hem twee mijl. Wij noemen zo iemand een watje of een eitje, iemand die zo zich opstelt. De Here Jezus heeft dit precies zo gedaan en Hij was dat beslist niet. Hij was dezelfde mens die, als dat nodig was met een eind touw het Tempelplein kon schoonvegen. Daaruit zie je dat het niet van nature iemand was die over zich liet lopen. Dat soort mensen heb je. Nee, dat was Hij niet. Hij wist wanneer Hij moest opkomen voor de rechten van God. Niet voor zijn eigen rechten, maar voor de rechten van God. Want de Tempel was Gods huis. En Hij wist ook wanneer Hij het los moest laten en het over moest geven in Gods hand, ook al deden ze alles met Hem wat ze wilden. De Bergrede is niets anders dan navolging van Christus. Alles, alles wat we hier lezen heeft Hij zelf in praktijk gebracht. Hij heeft het ons voorgedaan. Je kunt je voorstellen dat er wetten zijn waarvan de mensen zeggen die zijn onmogelijk om te houden. Wie dat ooit bedacht heeft, dat is verschrikkelijk, belachelijk, dat kan niet. De Bergrede is moeilijker dan al dat soort aardse wetten die u kunt bedenken. Maar de Bergrede is ons gegeven door iemand die het allemaal in praktijk gebracht heeft. Hier nog niet, op dit moment, maar in zijn hele verdere leven.

Geef aan hem die van u vraagt en keer niet af van hem die van u wilt lenen. Dat zijn allemaal dingen die je ook in de Torah al terugvindt. Wees royaal naar je broeder. Dat is zo anders dan de geest van woekerwinsten die in de middeleeuwen te vinden waren, ook bij de Joden. Maar dat was ook omdat we de Joden zelf in die business gedrongen hadden, elk ambt en elk beroep werd de Joden verboden, zodat ze tenslotte alleen nog maar in de vrije geldhandel konden opereren en dat deden ze dan weer zo verschrikkelijk goed dat zelfs koningen en keizers bij hen geld kwamen lenen. Maar dat was omdat we hen zelf daar in drongen. Maar deze goedgeefsheid, deze inschikkelijkheid, deze weldadigheid, dit niet op je rechten staan, het af en toe over je laten lopen, los laten, dat is verschrikkelijk moeilijk. Dat is bovenmenselijk, en dat is ook exact wat het is. Wij zeggen achteraf dit kan alleen maar in de navolging van Christus en in de kracht van de Heilige Geest.

In het volgende staat: "U hebt gehoord dat gezegd is u zult uw naaste liefhebben en uw vijanden haten." Wat is dat ook weer subtiel. U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Dat is dat belangrijke woord uit Leviticus 19 : 18. Dat wordt zo vaak geciteerd in het Nieuwe Testament. Omdat het zo de kern, afgezien van het gij zult God liefhebben boven alles, maar als het gaat over het onderlinge verkeer tussen mensen is er geen vers in de hele Torah te vinden, die dieper aangeeft hoe mensen ten opzichte van elkaar moeten staan. Je moet je naaste liefhebben als jezelf. Maar nergens in de Torah staat dat je je vijand moet haten. Hoe listig is dat. Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten. Het gaat in een moeite door en het klinkt ook heel erg logisch want de wereld is opgedeeld in twee groepen mensen, mensen die je naaste zijn en mensen die je vijand zijn. En de ene groep moet je liefhebben en de ander moet je haten. Je kunt er zelfs nog een vroom tintje aan geven, de naaste, dat is Gods volk en Gods vijanden dat zijn ook mijn vijanden. Een enkele keer kun je je zelfs beroepen op een tekst in het Oude Testament, waar van God gezegd wordt dat Hij zijn vijanden haat. Elke ketter heeft zijn letter. Je kunt het zo mooi maken als je wilt. Maar het staat nergens in de Torah, gij zult uw vijanden haten. Want wat is de naaste? Dat is nou juist weer interpretatie. Wat maakt men van de naaste? Je naaste, dat is je familie, dat zijn je vrouw en je kinderen. De naaste dat zijn de mensen van jouw eigen groep, wij zouden vandaag zeggen van je eigen kerkelijke richting. De naaste dat zijn de mensen direct om je heen, die bij jou horen. Dat zijn de mensen met wie je je ook verwant voelt of verwant bent. Dat zijn de mensen die je ook lief hebt, die het dichtst bij je staan. Je zou bijna zeggen dat zijn de mensen van wie je toch wel houdt, daar heb je dat gebod helemaal niet voor nodig. Maar in Lucas 10, in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan, daar stelt die wetgeleerde die hamvraag: "Wie is mijn naaste?" En eigenlijk komt het hier op neer, de naaste is ieder mens die God op jouw weg brengt. Elk mens, ook al ken je hem totaal niet. Zelfs al ben jij een Samaritaan en de naaste is iemand van een volk dat jij haat, van het volk van de Joden. Als die mens op jouw weg gebracht wordt en in dit geval heel letterlijk, jij reist langs die weg en je komt die man daar langs de kant van de weg tegen, dan is dat per definitie op dat moment de naaste. De naaste is de mens die op mijn weg gebracht wordt, om wie ik niet heen kan, terwijl ik dat wel probeer. De priester en de Leviet, de vertegenwoordigers van godsdienstige orde die deden dat wel, die liepen daar met een boog omheen. En dat staat er ook letterlijk zo, ze liepen er omheen want de naaste lag in hun pad. Het is de mens die op mijn weg gebracht wordt. Daarom heeft het ook geen zin, ik hoorde ooit eens, jaren geleden zeggen van iemand dat hij zijn naaste lief had en dat hij dus ook Breznjev lief had, vandaag zou hij gezegd hebben, ik heb Poetin lief. Nou, ik heb geen idee wat iemand zich daar bij voorstelt, ik ken die man verder niet, behalve wat ik af en toe in de krant of op tv van hem zie. Het is een zinloze uitdrukking. De man is me nog nooit in de weg gekomen. Ik heb nog nooit gedacht al wandelende over deze aardbodem, hé, daar heb je Poetin. En dan ook nog niet in zo'n situatie dat ik ook gedwongen was mijn liefde aan hem te betonen omdat hij in nood was. Dat is dus goedkoop gepraat. Er is wel een mooie, een stichting meen ik, die zegt de verre naaste, dat is wel zo, de wereld is natuurlijk wel klein geworden. De naaste, dat betekent letterlijk iemand die nabij is, kan ook een verre naaste zijn. Want onze verantwoordelijkheid breidt zich steeds verder uit naarmate ons gezichtsveld groter wordt. Daar kan ik wel ruimte voor inruimen. Maar je naaste is de mens die God je op je weg brengt. En daarin moet je niet kieskeurig zijn, dat geldt voor elk mens. Er is geen onderscheid tussen naasten en vijanden. Er is hoogstens onderscheid tussen mensen die nabij zijn en mensen die ver weg zijn. En de mens die nabij is dat is de mens die je tegenkomt op straat, die je tegen komt in de winkel en vooral de mens die op dat moment in nood is, als jij voorbij komt. Zodanig dat God je er met de neus op drukt en je weet, hier kan ik niet omheen. En dit is een van die momenten dat het wetticisme altijd door de mand valt. Want het wetticisme heeft altijd heel veel uitlaatkleppen. Ze houden zich precies aan de wetten van God, maar ze kennen ook verschrikkelijk goed alle uitzonderingsregels. Ze weten ook precies wanneer die wetten niet van toepassing zijn. We hebben in een vorig seizoen die gelijkenis behandeld, als het iemand is van een vijandig volk die langs de kant van de weg ligt dan zeg je: dat is een vijand, dat is geen naaste, die hoort niet bij de mensen die mij na staan, mijn volksgenoten. Dus die kan ik negeren. Nee, zegt de Here Jezus, hij is je naaste per definitie, want hij is jou nabijgebracht en dat is Gods hand. Ja, God let van boven op hoe jij je nu gedraagt naar die persoon toe. Want elk mens kan mijn naaste worden, zelfs mijn grootste vijand. En even verderop zegt de Here Jezus dat ook, mensen liefhebben die van jouw eigen groep zijn, van je eigen familie of van je eigen kerkelijke richting of van je eigen dorp, van je eigen buurt, van je straat, mensen dus die in dat opzicht nabij zijn, die lief te hebben, dat is helemaal geen kunst. Dat doe je niks bijzonders mee. Dat is geen typisch kenmerk van een volgeling van Jezus. De tollenaars en de zondaars doen hetzelfde. Mensen in deze wereld hebben allemaal mensen die ze liefhebben. Hun ouders, hun vrouw, hun man, hun kinderen en hun vrienden. Dat is niks bijzonders. Als je het gebod daartoe beperkt heb je er een volledig wereldlijke invulling aan gegeven. Het gebod is zelfs niet nodig, want mensen houden meestal wel van nature van hun verwanten en van hun vrienden. Maar het gebod wordt juist bovennatuurlijk en daarmee is het een gebod van Christus. Op het moment dat jouw liefde gevraagd wordt naar iemand waar je van nature helemaal niet die aantrekkingskracht voelt. Integendeel, waar je van nature juist een afkeer van hebt. En die mensen als jouw naasten te aanvaarden, als hij jou op de weg gebracht wordt, als je niet om hem heen kunt, letterlijk en figuurlijk, dat is het discipelschap van Jezus. Dat is de navolging van Christus. Dat is bovennatuurlijk. Dat wordt hier van ons gevraagd. En ik zeg het u niet omdat ik zo'n goed voorbeeld ben in al deze dingen ben. Ik zeg het omdat de Here Jezus het grote voorbeeld is. Het is de wet van Christus.

"Ik zeg u heb uw vijanden lief en bid voor hen die u vervolgen." Dat is ook heel bijzonder. Niet alleen liefde hebben, maar ze in gebed bij God brengen. Voorbede is iets heel bijzonders. Let maar op, wij bidden in onze voorbede voor de mensen die ons nabij zijn. Als de tollenaars en de zondaars vroom worden dan bidden die ook voor de mensen die hun nabij zijn. Maar elk mens waar je boos op bent, elk mens tegenover wie je een verbittering hebt ontwikkeld, dat zijn de mensen van wie de Heer verwacht dat we voorbede voor ze doen. Want dat is een bovennatuurlijk gebed. Dat leer je alleen in de navolging van Christus, in de kracht van de Geest. En dan bovendien het mooie, als je leert bidden voor die mensen die tegen jou zijn, waar je van nature heel kwaad op bent, als je leert bidden voor die mensen verandert dat jou in de eerste plaats. Zoals de man van wie ik hoorde dat hij zo'n hekel aan zijn baas had, omdat hij vond dat die baas hem zo verkeerd behandelde. Hij had er zoveel moeite mee, hij dacht er zelfs over om weg te gaan en een andere baan te zoeken. Totdat iemand hem een heel eenvoudige tip aan de hand deed. En voor dat hij aan zijn werk begon elke morgen stond hij enkele ogenblikken voor de deur van de baas. En hij bad voor zijn baas. Maar na verloop van tijd merkte hij dat die baas daar niet veel van veranderde. Dat had hij misschien wel gehoopt. Als je bidt dat je baas een beetje een aardiger baas mag worden dan hoop je dat dat gebed ook wat uitwerkt. Maar wat hij merkte was dat híj veranderde. En later begreep hij dat dat hetzelfde effect heeft. Want de bitterheid in zijn ziel verdween. Hij begon naar zijn baas te kijken met andere ogen, met de ogen van God. Als een mens die een ziel te verliezen heeft. Als een mens die misschien best wel een aardige baas zou kunnen worden, als wij nou eens makkelijkere werknemers werden, om maar een voorbeeld te noemen. Maar de voorbede voor die ander ?nas ze en hielp hem over zijn bitterheid heen te komen. Hier is de prachtige conclusie: opdat u zonen wordt van uw Vader die in de hemel is. De zusters moeten maar even accepteren dat dit ook tot hen gericht wordt. Ik heb u al vaker gezegd: wij vinden het niet erg tot de bruid van Christus te behoren, dus dan hoeft u het ook niet erg te vinden om zonen van God genaamd te worden, dat is de beeldspraak. Je zou kunnen zeggen: maar elke gelovige is toch al een zoon van God. Ja, dat is waar maar daar heb je vaak niets aan. Soms is het heel belangrijk om iemands positie in Christus te benadrukken. OK, dan zeggen we tegen hem: je hebt de Heilige Geest ontvangen, je bent een zoon van God, je bent een dochter van God, leer het nu eens eindelijk, kom nu eens tot echte zekerheid van het heil, zekerheid van het geloof, ga nu eens staan in alles wat je bent. Prachtig, mooi! Soms is dat nodig, ... maar soms is het ook nodig om te zeggen: ja, dat ben je allemaal wel in principe, maar wat betekent dat nu in de praktijk. Je kunt een zoon van God zijn, maar je moet je ook als een zoon leren gedragen. In Romeinen 8:14 staat: zovelen er dan door de Geest van God geleid worden dat zijn zonen van God, dat is niet elke Christen. Elke Christen is een kind van God, iedereen die de Heilige Geest ontvangen heeft is een kind van God. Zij die door de Heilige Geest gedomineerd worden dat zijn zonen van God. Daar ziet u op een heel andere manier vanuit een ander gezichtspunt dezelfde waarheid: Wees wat je bent. Als je net geboren bent en je ligt als jochie in de wieg, dan ben je een zoon van je vader, maar je niet eens wie die man is. Je weet sowieso nog helemaal niks. Je moet groeien en in het groeien word je zoon van je vader. Wat je in de wieg al was dat word je dan ook in de praktijk en er ontstaat een relatie, als het goed is, tussen die vader en die zoon. En vanuit die relatie van zoonschap tegenover de vader wordt dit woord waar: opdat u zonen wordt van uw Vader die in de hemelen is. Opdat je je leert gedragen als een goed zoon van de Vader maar ook opdat er een relatie ontstaat tussen jou en de Vader. Vanuit die relatie leer je je steeds meer te gedragen zoals het een zoon van die Vader past. Ik bedoel je zal maar kroonprins zijn dan heb je wel je stand op te houden. Je moet dan leven in overeenstemming met die verheven positie als zoon van de koning of van de koningin. Zo is het hier ook, als je zoon van je Vader word dan leer je ook als zoon te leven, zoon te zijn. En wat betekent dat heel concreet? Dat betekent heel concreet: kijk nu eens hoe je Vader is. Is je Vader iemand die alleen maar zijn eigen kinderen lief heeft, en de rest van de mensheid daar heeft Hij een hekel aan? Als dat zo zou zijn dan zou het zo zijn dat al Gods kinderen krijgen heerlijk lente weer in begin december en de rest krijgt gladde wegen, sneeuw en narigheid. Nee, God laat zijn zon opgaan over bozen en goeden, zonder onderscheid des persoons. En Hij laat het, kun je er aan toevoegen, ook sneeuwen over bozen en goeden zonder onderscheid, zonder aanzien des persoons. Maar hier gaat het wel om de goede dingen. God schenkt zijn zegeningen, regen en vruchtbare tijden heet het in Handelingen 14, waar Paulus dat tegen de heidenen zegt. Hij geeft ze, want Hij is een goedgeefse God. Hij geeft ze niet alleen aan Zijn kinderen, Hij geeft ze ook aan de anderen. Zo is God. Als je een zoon van je Vader word, een goed zoon van je Vader dan lijk je op de Vader. Dan ben je goed, dan schenk je zegeningen niet alleen aan je eigen mensen, maar ook aan de andere mensen waar je van nature het veel moeilijker zou hebben om die mensen te zegenen. Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Mijn voorbeeld van de sneeuw was misplaatst want hier is regen niet de sneeuw iets negatiefs. Dat denken wij, wij ervaren regen omdat wij er zo veel van krijgen als iets negatiefs. Wij bidden dat het toch vooral als we uitgaan niet zal regenen. Ik herinner me begin september een studente in Zuid-Afrika die keek zo blij, en spontaan als ik ben zei ik tegen haar: waarom kijk je zo blij? Toen zei ze: vanwege het weer. Toen zei ik in mijn Hollandse onnozelheid: hoezo? Omdat de zon schijnt? Dat is zo ongeveer de meest belachelijke opmerking, want die schijnt daar elke dag, dat is helemaal niets bijzonders. Nee, zei ze, omdat het vannacht geregend heeft. O ... Na twee maanden droogte, als het september wordt dan snakt de boer naar regen. Want dat is niet vanzelf sprekend soms komt die niet en dan heeft hij een probleem. De meeste van die studenten waren boeren kindertjes en zo'n meiske verheugde zich daarover want haar vader was blij. Want het had vannacht geregend en dat betekende dat het goed zou komen met de oogst.

Dus hier is regen een zegen. Je moet het even niet Hollands bekijken. Hier gaat het erom die zonneschijn en de regen is allebei nodig voor de oogst en God schenkt dat zonder onderscheid, ook aan de mensen die hem onwelwillend gezind zijn. Want als u hen lief hebt die u lief hebben wat voor loon hebt u? Wat voor loon, dat betekent: je krijgt dan terug wat je erin investeert. Als je investeert in je huwelijk dan krijg je liefde terug. Als je investeert in je vriendschap krijg je liefde terug. Je loon is datgene wat je zelf over je hebt afgeroepen. Maar je vijand liefhebben en hem weldoen, dat kan betekenen dat je misschien een lelijk woord terug krijgt. Dat is een heel andere oriëntatie, dan moet je dus uitzien naar het loon in de hemel. Dan moet je het hebben van je loon in de hemel, maar als je loon hier op aarde zoekt dan moet je vooral heel veel weldoen aan degenen van wie je ook mag verwachten dat ze je er zeer dankbaar voor zullen zijn. Mensen liefhebben die jou liefhebben, dat is wat de tollenaars en de zondaars ook doen, dat doen mensen van de wereld ook. Die hebben ook elkaar lief in het huwelijk, die hebben ook hun kinderen lief, die hebben ook hun vaderland lief en weet ik het allemaal, dat is niets bijzonders. Discipelschap begint als het ware daar waar we meer doen dan normaal als onder mensen gewoon gebruikelijk is, wat daar boven uit gaat. Doen ook de tollenaars niet hetzelfde noem nu maar een voorbeeld op van mensen die zeer laag in achting stonden. Je kunt van tollenaars zeggen wat je wilt, maar ze hebben de mensen lief die hen liefhebben. Ze hebben hun vrouwen en kinderen lief, dat is heel normaal, dat doen zelfs de slechtste mensen op aarde. Als u alleen uw broeders groet, waarbij we altijd goed bedenken dat groeten natuurlijk heel wat meer betekent dan wanneer wij zeggen: goedenavond. Wij denken er niet eens bij na wat dat betekent, terwijl goedenavond betekent: God schenke u een goede avond. Hééé ... je wenst iemand het goede van God toe. Groeten in de oorspronkelijke betekenis zoals je dat in Beieren en Oostenrijk nog hoort, Grüss Gott, es grüsst dich Gott, dat betekent God moge jou zegenen. Hééé daar had u niet bij stil gestaan, dat is mooi zoiets kennen wij niet meer. God moge jou zegenen. Groeten is zegenen. Daarom staat er in de tweede Johannesbrief over dwaalleraren die moet je zelfs niet groeten. Dat betekent helemaal niet dat je niet de burgerlijke beleefdheid mag hebben om tegen die meneer te zeggen: dag meneer. Maar groeten betekent iemand zegen toewensen en dat doe je met een dwaalleraar niet. De enige zegen die je hem toewenst als dwaalleraar is dat hij tot inkeer mag komen en zich mag bekeren van zijn boze weg. Dat is de enige zegen die je hem kunt toewensen. Maar als je de broeders groet, als je alleen je eigen mensen groet, de mensen van jouw richting, de mensen die bij jou horen, er zijn dorpen in Nederland waar je alle tien soorten reformatorisch bij elkaar hebt en waar ze, nu ja ik kan het best zeggen het is Urk want iedereen weet dat bijvoorbeeld. Ik heb ooit om half tien 's morgens een rondrit gehad door Urk, 's zondagmorgens, dat is inderdaad verbazingwekkend, kijk in Waddinxveen kennen ze dat niet, daar is iedereen hervormd behalve de baptisten, maar daar heb je alle tien soorten reformatorisch. Dan heb binnen één richting ook nog weer verschillende kleuren. Je hebt daar verschillende kleuren christelijk gereformeerd en dus verschillende kleuren hervormd en die lopen allemaal door elkaar heen. Nu vandaag verandert dat wel een beetje, maar vroeger was dat allemaal met strakke gezichten want ze waren alle tien op weg naar de meest schriftgetrouwe uitdrukking van het lichaam van Christus. De enigen die je groet dat zijn de mensen van jouw richting. Ik ken een ander dorp op de Veluwe, we noemen geen namen, daar was een jonge evangelische vrouw die mij vertelde: als ik 's zondagsmorgens met een rok aan naar de gemeente ga dan word ik door iedereen vriendelijk gegroet onderweg. Heb ik nu eens een keer zin om een lange broek aan te trekken naar de gemeente, dat kon in die gemeente daar, dan groet niemand mij. Want dan hoor ik er niet bij dan ben ik een vreemde, een buitenstaander, iemand die blijkbaar niet naar de kerk gaat. Dat is je eigen mensen groeten of mensen waarvan je denkt dat ze bij je horen. Selectief zijn, alleen onze eigen mensen, alleen die van onze richting, onze kleur, onze afkomst, onze groep zijn. Dat is de kern van eigenlijk alle sektarisme: onze groep, mijn groep, onze kleur. Maar als je alleen je broeders groet wat doe je dan meer? Waarin onderscheid je je dan als discipel van Jezus? Je doet niets meer dan zelfs de heidenen doen. Discipelschap begint als het ware daar waar de gewone burgernormen, de normen van burgerfatsoen ophouden en het bovennatuurlijke begint, waar die dingen beginnen waarvan de wereldling zegt: dat is belachelijk dat moet je niet doen, waarom zou je dat doen ... waardoor je zelfs in de ogen van de wereld verachtelijk bent. Je andere wang toe keren, je laten pressen tot een mijl en zelfs twee mijl gaan. De Here Jezus vat het zo samen:,-- Hij had het ook zo kunnen samenvatten: Ik ben de koning, Ik ben jullie leermeester jullie moeten worden zoals Ik, dat zegt Hij later in Mattheus 10:25: Het is de discipel genoeg als hij wordt als de meester. Dus dat element komt ook wel naar voren, maar hier is het anders. Hier is de norm de hemelse Vader, God zelf. God geeft regen en zonneschijn zonder aanzien des persoons aan alle mensen. Zo moet jij zijn ... wees goed voor alle mensen zonder aanzien des persoons. Kun je oprecht zeggen dat je alle Christenen lief hebt als je in zo'n dorp bent met tien soorten gereformeerden en vijf soorten evangelischen nog eens een keer erbij, dat je al die gelovigen in gelijke mate lief hebt zonder onderscheid. De Vader wel namelijk, wees dan volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is. Hier accepteren we niet al die prietpraat over: ja, maar wij zijn zulke arme, zwakke en nietige zondaars volmaakt is pas in de hemel. Hier zegt de Here Jezus heel gewoon alsof het de vanzelfsprekendste zaak van de wereld is: weest dan volmaakt zoals je hemelse Vader volmaakt is. Wij zeggen dat kan toch helemaal niet dat is toch irreëel, en dan zijn wij er weer lekker vanaf. Ja, dit is toch wel een heel bijzondere norm, misschien zijn er hier en daar wel een paar mensen, die daar in de verte wel een beetje aan kunnen tippen. Nee, volmaakt betekent hier helemaal niet dat je zondeloos geworden bent. Volmaakt is hier in feite wat het volmaakt zo dikwijls betekent in het nieuwe testament: geestelijk volwassen zijn. In je geestelijke ontwikkeling als discipel van Jezus is geestelijke volwassenheid dit, niet dat de Vader geestelijk volwassen is, maar onze geestelijke volwassenheid betekent dat we steeds meer op de Vader gaan lijken. Dat je steeds meer boven je eigen groep uit groeit en steeds meer liefde gaat koesteren voor alle gelovigen zonder onderscheid en zelfs voor alle mensen. Dat ook je ongelovige buren of wie het ook moge zijn je net zo dierbaar zijn als de mensen van je eigen groep, want zo doet God ook. God houdt heel erg veel van mijn buren, dat mag ik rustig zeggen, want God heeft de wereld lief gehad. Er zijn geen uitzonderingen, mijn buren horen ook bij de wereld en Hij verwacht van mij dat ik ze ook zo lief heb, met Zijn liefde ... en dat mijn woorden in genade zijn, met zout besprengd. Dat ik mij niet laat aftrekken naar hun niveau, als ik het even zo lelijk mag noemen want dat kan arrogant klinken naar mijn buren toe, maar dat als zij met wereldse dingen bezig zijn, ik me niet laat mee gaan naar die richting, maar dat ik iets mag uitstrekken van God zelf. De mensen kennen God niet, ze lezen de Bijbel niet en gaan ook niet naar de kerk. Het enige, het enige, het enige wat wereldlingen van God zien dat is wat ze herkennen in u en mij, verder niet. U en ik zijn de enige kans die ze misschien in hun hele leven krijgen om iets van God te zien. Hebt u daar wel eens aan gedacht?

Als je geprikkeld bent en uithaalt naar mensen en lelijk doet,- elke autorit is daar een heerlijke oefening voor, want je ergert je altijd natuurlijk aan wat andere weggebruikers doen, die zich af en toe ook aan mij eregeren trouwens. Heerlijk zo'n oefening als je erover denkt om met een jongeman een relatie aan te gaan, jongedames, raad ik u altijd aan om een paar uur eerst met hem in de auto te zitten en te kijken hoe hij zich gedraagt op de snelweg. U leert in dat ene uur vaak meer van hem dan u anders in weken van hem kunt leren kennen. Hoe hij reageert op zijn medeweggebruikers, hoe hij zijn auto hanteert en hoe hij zich aan de regels houdt, u leert zoveel van hem kennen. Het is heel moeilijk als weggebruiker maar ook op alle terreinen van het leven om dit principe vast te houden: de mensen om mij heen kennen God niet en ze zullen Hem ook nooit leren kennen, want ze zullen ook niet naar de kerk gaan en ze zullen ook de Bijbel niet lezen, ik ben hun enige kans, ik ben hun enige kans, om iets van God te zien. Dat is een geweldige uitdaging!! Dat hele eerste hoofdstuk van de Bergrede wordt in dit ene woord samengevat: weest DAN. Het woord dan is vaak zo'n samenvatting van het voorgaande. Weest u dan volmaakt. Niet zondeloos, je hoeft helemaal niet zondeloos te zijn dat is het punt helemaal niet, maar wees iemand die de afspiegeling is van uw hemelse Vader. En wie zegt dit tegen ons? Hij die volmaakt de afspiegeling was van Zijn hemelse Vader. Van Hem kun je het hebben als Hij het zegt. Ik geef het ook alleen maar door omdat Hij het zegt. Van Hem kun je het hebben want Hij was de afspiegeling van de Vader. Wie Mij gezien heeft die heeft de Vader gezien, zegt Hij later tegen Filippus. In Hem zie je de Vader. En Nu zijn u en ik op aarde we hebben dezelfde Heilige Geest in ons die ook in Hem woonde met de bedoeling dat de mensen in u en mij de Vader zien. Ook de Meester ook de Here Jezus zelf, maar hier gaat het vooral om de Vader. God zegene ons daarbij.

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?