Hart voor Waddinxveen


(1b) Vragen bij de lezing gehouden op 4 september 2009 over "De barmhartige Samaritaan" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
maandag, 12 oktober 2009 12:45

De eerste vraag die ik hier heb, luidt: "In welke val wilden de schriftgeleerden Jezus laten lopen? Hoe dacht Hij dat dat zou gaan?"
Ik heb daarstraks al even aangeduid, maar ik kan me voorstellen dat ik dat niet zo duidelijk heb gemaakt als u misschien wel had gewild. Ik probeerde het duidelijk te maken door te wijzen op Mattheus 5 vers 43 waar de Here Jezus een stukje Bijbel citeert, Oude Testament, met een heel belangrijke en volkomen foutieve aanvulling van de schriftgeleerden. En wee, als je gaat aanvullen bij de Bijbel of gaat afnemen van de Bijbel. Op de laatste bladzijde daar lezen we, dat gaat dan speciaal over het boek Openbaring: Wee u als u van de Schrift afdoet of als u eraan toe doet. Daar zie je hoe deze mensen in het algemeen dachten. Een van de grote conflicten tussen Jezus en de Joodse leiders, één daarvan, ik kan ze niet allemaal nu noemen maar één daarvan was deze; dat Hij van het begin af aan aanduidde dat het heil niet beperkt was tot de Joden en dat niet alleen, maar dat de heidenen op voet van gelijkheid konden binnenkomen. Een heel ander voorbeeld, Johannes 3, de wedergeboorte, daar zegt Hij tegen Nicodemus; Het feit dat jij bij het volk van God hoort betekent niet dat jij het heiligdom zomaar kan binnenkomen. Dat is niet genoeg. Je kunt wel tot het uitverkoren volk behoren maar je zal toch wedergeboren moeten worden. Je kan wel als kind in het verbond zijn opgenomen maar als je niet persoonlijk wederomgeboren wordt, dan helpt je dat allemaal niks. En dat is heel belangrijk. Het was ook voor de heidenen want die konden op dezelfde wijze binnenkomen. Via het geloof en wedergeboorte.

Daarom zie je juist in het Mattheus-evangelie dat op Joden gericht is, dat we daar tweemaal horen dat de Here Jezus zegt: Die heeft een groter geloof dan Ik in Israël ooit gevonden heb. Dat zegt Hij van twee heidenen. De hoofdman in Mattheus 9, zo'n groot geloof heb ik in Israël niet gevonden en Hij zegt dat later van de Kananese vrouw ook. Zo'n groot geloof heb ik in Israël nooit gevonden. Allemaal stille heenwijzingen dat het er niet op aankomt uit wat voor achtergrond je komt, of je Jood of een heiden bent, of je evangelisch of gereformeerd bent, maar dat het erop aankomt of je geloof hebt. Een geloof dat alleen God je kan schenken, maar toch, geloof. Wederomgeboorte, dat is de toegang en die is voor alle mensen gelijk. Paulus heeft dat later helemaal uitgewerkt. Dus toen deze man kwam met de vraag: "Wie is mijn naaste?" was dat een valstrik want de Here Jezus behoorde volgens de Sadduceeën en de Farizeeën, vooral de Farizeeën, te zeggen; de naasten, dat zijn natuurlijk onze eigen mensen. De mensen die bij ons horen. Mensen van ons volk of nog beter, de mensen van onze eigen club. Maar dat zei de Here Jezus niet. Alleen Hij zei dat niet rechtstreeks, Hij zei niet; alle mensen zijn je naaste, want dat is ook niet zo. Ik hoorde eens een keer iemand zeggen, dat is al weer heel lang geleden hoor, Brezjnev is mijn naaste, dat is onzin, de man woont veel te ver weg, niemand kende hem, het is makkelijk genoeg om te zeggen dat Poetin, om het een beetje eigentijdser te maken, of dat Obama mijn naaste is. Dat is betekenisloos. De naaste dat is degene die u morgen tegenkomt en van wie u liever helemaal niet had gewild dat het uw naaste was en dat hij op uw weg gebracht was, maar het gebeurt toch. Dat is uw naaste. Daar ben je vaak niet op ingesteld en op berekend. De Samaritaanse man had er ook niet op gerekend dat hij zo iemand zou tegenkomen. Dus de Here Jezus zegt daarmee: het kan elk mens zijn die je op je weg komt. Zelfs iemand aan wie je van nature een hekel hebt. Maar als God hem op je weg brengt dan is hij per definitie jouw naaste. Dus indirect geeft de Here Jezus daarmee aan; het is elk mens. Niet zomaar willekeurig elk mens op aarde, maar die mens die op jouw weg komt en waarvan je weet; dit is geen toeval, hier moet ik wat mee. Even voor de mensen die niet in toeval geloven, dat is ook zo echt vroom om te zeggen; nee, toeval bestaat niet, nou, in deze gelijkenis gebruikt de Here Jezus dat woord. Het staat er wel een beetje ouderwets, bij geval, maar dat betekent precies hetzelfde, in moderne vertalingen staat; toevallig kwam daar een priester en een Leviet langs. Toeval bestaat dus lekker wel. Althans voor ons. Van bovenaf niet. Want God had ook met die, als het even een letterlijk verhaal zou zijn geweest, met die priester een appeltje te schillen gehad. Die man werd daardoor aan zichzelf ontdekt, die Leviet ook. Maar voor ons is het toeval. Zoals het ook toeval was dat er die Samaritaan voorbij kwam. Alleen van bovenaf gezien is het dat niet. Maar als ik u was tegengekomen in het hartje van Jeruzalem, trouwens, dat gebeurde ook nog een paar keer, dat mensen zeiden: "Ik ken u van de mannendag." Dus zo gek toevallig is dat helemaal niet als ik u daar tegenkom in Jeruzalem, maar dan zouden we ook zeggen: "Tjonge, wat toevallig." Maar dat is even terzijde. De man hoopte dus dat Jezus een dergelijk antwoord zou geven als hij gaf, maar hij schaamde zich niet om het te geven. Hij wilde Hem ertoe verleiden die naaste een betekenis te geven die regelrecht in strijd zou zijn met wat die schriftgeleerden vonden. Dat de naasten alleen de mensen van je eigen club zijn. En dan hadden ze weer wat om te zeuren, zeg ik het maar even op mijn manier.

Oh, dit is ook een leuke vraag. Welke dingen kunnen wij leren van Boeddha, Mohammed enzo?
In ieder geval voor Boeddha geldt dat een man die zijn luxe paleis eraan gaf en zijn mooie bestaan om armoe te lijden en het lot te kiezen van de misdeelden, dat is een loffelijke zaak. Je kunt van iedereen wat leren. Er staat in de Talmoed: Wie is wijs? Hij die bereid is van iedereen te leren. Je kunt niet altijd alles van iedereen leren en er zijn ook dingen die je van mensen als Mohammed en Boeddha beslist niet moet leren, maar er zijn ook dingen waar je als mens respect voor kan hebben. Dat iemand dat zo gedaan heeft. Bij Boeddha kost me dat iets minder moeite dan bij Mohammed, maar je kunt altijd dingen leren als je ziet dat mensen oprecht zijn, dat mensen voor hun zaak gaan, van iets menen dat het de ware zaak is, als ze goed doen voor mensen. Mohammed heeft enorm veel gedaan voor de verheffing van de vrouw in de toenmalige Arabische wereld, waar het heel normaal was als je niet tevreden was dat je een dochtertje had gekregen, om haar dood te maken. Wij vinden misschien van niet, wij vinden dat de vrouw daar nog steeds een derderangs positie heeft, maar dat was voor die tijd nog veel erger, maar goed, verder ga ik ze niet de lucht in steken. Hett waren maar een paar illustraties dat je van iedereen kan leren.

Het lijkt wel, zegt deze vraagsteller, hoe meer kennis, hoe minder liefde naar de ander. Maar kennis is toch noodzakelijk. Kennis zonder hoogmoed is misschien moeilijk.
Ja, we moeten dat woord kennis dan misschien een beetje definiëren, waar hebben we het over. 1 Korinthe 8 zegt: Kennis maakt opgeblazen. En Prediker 1 zegt: Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. En voor alle luien en dommen zijn dat dus twee heerlijke excuses om zich geen kennis eigen te maken. En als je je dan stoort aan hun schrikbarende gebrek aan kennis van de Schrift, dan zouden ze kunnen zeggen: haha, kennis maakt toch opgeblazen en wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. Maar onkunde vermeerdert ook een hoop smart. Onkunde vermeerdert ook een hoop smart. Er is heel wat ellende in de christelijke kerk ook omdat er zoveel onkunde is aangaande het woord van God. Ik kwam eens iemand tegen die zei: "Er moet ergens in de Bijbel staan ... " Ik zei: "Dat staat helemaal niet in de Bijbel", maar probeer maar eens te bewijzen dat iets niet in de Bijbel staat. Dan moet je met hem die hele Bijbel doorlezen en dan zou hij aan het eind nog kunnen zeggen: "We hebben er toch overheen gelezen." Je kunt dan van alles wel beweren. Onkunde is in de kerk van God, van Christus, een enorm gevaar. Dan ga je maar zelf wat bedenken en doen. Kennis is niet het gevaar, een bepaalde vorm van kennis is gevaarlijk, dat is de kennis waarover Paulus het heeft in 1 Korinthe 8. Een kennis die opgeblazen wordt, dat is kennis die op zichzelf staat, die niet ingebed ligt in het totaal van Christen zijn. En daar hoort die liefde net zo goed bij. Maar luister, ik ben net zo bang voor liefde zonder kennis, als voor kennis zonder liefde. Je moet die dingen niet tegen elkaar uitspelen, je moet ook niet zeggen: Het één is belangrijker dan het andere, want ze zijn onvergelijkbaar. Het is appels met peren vergelijken. We hebben het allemaal nodig in de kerk. We hebben nodig dat er mensen zijn die het woord grondig bestuderen, die dat beroepshalve doen, en die daar de hele dag mee bezig zijn, die kunnen ons helpen voor een heleboel dwaalleringen. Aan de andere kant moet je zeggen; alle dwaalleringen die er in de kerk zijn ontstaan die zijn ook allemaal van de theologen afkomstig, dat zeg ik dan weer om dat ook een beetje te relativeren, want gewone mensen verzinnen niet zo makkelijk dwalingen. Dus dat is ook weer betrekkelijk. Kennis is betrekkelijk en liefde hebben we gezien, is ook een verraderlijk begrip. Want we hebben gezien vanavond dat in de liefde heel gemakkelijk een heel stuk eigenbelang kan zijn. Hoe meer mensen er toekijken, daar zijn leuke psychologische proeven over gedaan, als je iemand moet helpen en er staat niemand bij, als er mensen staan toe te kijken hoe jij helpt, dan zullen veel meer mensen bereid zijn om te helpen omdat ze daar eerder mee wegkomen, omdat andere mensen zullen zien dat ze eventueel bijvoorbeeld niet bereid zijn om te helpen. Maar ook dat heeft weer zijn tegenhanger. Als je in het water valt en je kan niet zwemmen dan moet je hopen dat er één persoon op de wal staat die kan zwemmen. Als er twintig staan, staan ze elkaar allemaal aan te kijken van 'waarom zou ik het water inspringen en waarom niet één van die anderen?'. Dus er is meer kans dat u geholpen wordt als er één is. Als er twintig barmhartige Samaritanen waren langsgekomen, dan hadden ze allemaal gedacht: "Nou ja, één van die anderen kan wel helpen." Dus het is heel ingewikkeld. En dat heeft allemaal te maken met een heel eenvoudig Bijbels gegeven, namelijk, arglistig is het hart. Daar kun je ook weer een vroomheid van maken maar dat betekent heel simpel: onderzoek nu eens je diepste motieven waarom je dingen doet, ook als je iemand helpt. Is het echt pure hulpvaardigheid? Hoeveel eigenbelang zit erin? Doe je het om de voldoening die het geeft, doe je het om eer van mensen, doe je het omdat je nu eenmaal een beredderig type bent, vind je daar voldoening in? Net zei iemand in de pauze tegen me; je kunt eigenlijk ook heel moeilijk leren om goed hulp te geven als je nooit geleerd hebt om hulp te ontvangen. Sommige van die mensen die zo graag helpen, die verdenk ik ervan en soms wordt dat ook bevestigd, dat dat mensen zijn die juist zelf heel moeilijk vinden om hulp aan te nemen. Ze willen graag dienen maar ze hebben het er zo moeilijk mee om hulp te ontvangen. Dat is het heerlijke van het evangelie. Het evangelie begint met ontvangen. Het begint niet meteen met je te eisen. Die eisen komen heus wel hoor, een nieuw gebod geef ik u, de Here Jezus spreekt over geboden, er staan meer geboden in het Nieuwe Testament dan in het Oude Testament. Dus die komen heus wel aan de orde, maar het begint ermee om liefde te ontvangen en te leren leven uit de liefde van God in Christus. Je begint met genade te ontvangen. En als je nooit geleerd hebt om zelf uit barmhartigheid te leven dan zul je ook nooit, echt goed, het leren geven aan een ander. Barmhartigheid heeft altijd te maken met ellende. In het Frans kun je dat mooi zien, miséricordieux dat is barmhartigheid en misére dat is ellende. In het Latijn is dat net zo. Het is het hart dat iemand aan jou laat zien in jouw ellende. Maar daarvoor moet je eerst zelf een ellendige kerel geworden zijn, of een ellendige vrouw, in elkaar geslagen door de rovers, satan, zonde en dood, en leren liefde te ontvangen voordat je het kan geven. Dus met kennis is er niks aan de hand, maar kennis kan worden misbruikt, alleen kan dat ook met de liefde. Alle goede dingen van God kunnen misbruikt worden.

Tenslotte, u ziet het is vanavond wat minder ingewikkeld blijkbaar, dus minder vragen. Dertig jaar geleden ging ik voor het eerst naar de Pinkstergemeente. Dan was ik u voor. Nu is het Pinksteren in de kerk. Kunnen we spreken van een opwekking in Nederland?
Dan vind ik dat het best nog wel wat meer Pinksteren in de kerk mag worden hoor. Laten we zo zeggen; de douchekop begint te druppelen, maar hij staat nog niet vol open. Moet ik nog meer zeggen? Ik zal u nog meer vertellen; we zingen in dat lied ook: Nu vallen drupp'len reeds neder, zend ons die stromen o Heer. Nu vallen drupp'len reeds neder. Je moet een beetje zuinig zijn met dat woord opwekking. We hebben drupp'len waar we ze vroeger zo niet direct verwacht hadden en dat zien we op heel veel plaatsen. Ik ben daar geweldig blij mee. Ik was gisterenavond op een studentenvereniging van een hele degelijke reformatorische soort, we noemen geen namen, maar degelijk spul. En als ze dan mij vragen om over een onderwerp te spreken dat van oudsher bij hen zo gevoelig ligt, dan denk ik, wow, wat is het daar aan het veranderen. Die openheid die gekomen is naar elkaar toe, en dat is een stukje van het werk van God's Geest, maar dat is nog wat anders dan dat de douche vol aangezet is hoor. Het plenst nog niet genoeg vind ik. Vinden jullie al dat het plenst? Maar we zijn wel blij met de droppelen, nu vallen drupp'len reeds neder, daar zijn we heel blij mee. Maar er zijn ook mensen die zeggen; er is absoluut nog geen opwekking, er is als het ware een gerucht in de lucht, er is een rimpeling, maar het is nog lang geen storm. Er is een klein stroompje maar nog geen stortvloed. Ik zie wat vonken maar nog geen vuur. Dat zeg ik niet om uw enthousiasme de bodem in te drukken, want let op dat; nog niet, nog niet. We strekken ons ernaar uit dat het inderdaad wel gaat komen. Ik weet trouwens niet hoe uw vraag met het onderwerp samenhangt, misschien wel vanwege die olie en die wijn. Olie is een van de, en wijn ook, het zijn allebei beelden van de Heilige Geest. Ik noemde net al de wind, het water en het vuur, maar olie, 'ziet dan hoe lieflijk als broeders ook tezamen wonen', daar begint het al, als we over onze kerkmuurtjes heen kijken, af en toe beleven we dat, op zo'n avond als deze, dat we het gevoel van saamhorigheid hebben. We hebben opvallend veel liederen over eendracht gezongen, ik weet niet of jullie daar wat mee voorhadden. Verborgen agenda. Samen, schouder aan schouder, U maakt ons één, één gezin, dat trof me tenminste wel. En het is ook zo. Dwars door alle kerkmuren heen is er iets van eenheid. Een besef van; we horen bij elkaar, veel meer dan vroeger. Het boek dat een paar maanden geleden uitkwam 'Wij kiezen voor eenheid' van een aantal geestelijke leiders in dit land, van rechts gereformeerd tot katholiek aan toe, dat zou vijftien jaar geleden nog ondenkbaar zijn geweest. Dan zijn wolkjes als in man's hand, een wolkje is nog geen zwarte hemel maar het is wel het begin ervan. Toen Elia dat wolkje zag toen zei hij tegen koning Achab; ga gauw naar huis want het gaat plenzen. Want dat wolkje was een belofte. Dus ik wil het niet bagatelliseren, want de druppelen zijn een belofte, maar we zijn er nog niet.

Nu, dit was het eigenlijk, ik zal maar niet vragen of er nog mondelinge vragen zijn, daarvoor zijn we met een beetje te veel. Er kunnen nog wat mensen bij, het was ook nog een beetje vroeg in het seizoen, ik zou zeggen voor de volgende keer; neem gerust nog iemand mee. Ik zeg alvast tot ziens en heel graag als de Here Jezus nog niet is gekomen hoop ik u hier de volgende keer weer te mogen zien.

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?