Hart voor Waddinxveen


(1) Lezing gehouden op 4 september 2009 over "De barmhartige Samaritaan" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
maandag, 12 oktober 2009 12:50

Van mijn kant wens ik u alleen een heel gezegende avond en een gezegend nieuw seizoen met een heel uitdagend onderwerp. Misschien wel een onderwerp waarvan u dacht: nou ja, daar weet ik al alles van; de gelijkenissen, die zijn zo bekend. Nou, ik denk dat er hier en daar nog wel eens verrassingen voor u in zouden kunnen zitten. Juist de dingen die we zo goed menen te kennen blijken vaak veel verrassender dan we dachten. Nou, we beginnen vanavond al met een heel bijzondere, heel bekende, vele malen besproken; er is vast tienduizenden keren over gepreekt; vanavond de zoveelste keer.

We lezen uit Lukas 10. Ik ben ouderwets, ik lees uit de NBG-vertaling. Ik ben niet zó ouderwets dat ik uit de Statenvertaling lees; er zijn grenzen maar voor velen ben je ook al ouderwets als je uit de NBG-vertaling leest. We lezen uit Lukas 10 vanaf vers 25: "En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zei: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? En Hij zei tot hem: wat staat in de wet geschreven, hoe leest gij? Hij antwoordde en zei: Gij zult de Here uw God liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand en uw naaste als uzelf. En Hij zei tot hem: Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven. Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zei tot Jezus: En wie is mijn naaste? Daarop antwoordde Jezus en zei: een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers die hem niet alleen uitschudden maar hem ook slagen gaven en weggingen terwijl ze hem halfdood lieten liggen. Bij geval daalde een priester af langs die weg en deze zag hem doch ging aan de overzijde voorbij. Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij. Doch een Samaritaan die op reis was kwam in zijn nabijheid en toe hij hem zag werd hij met ontferming bewogen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zei: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben dan zal ik ze u vergoeden op mijn terugreis. Wie van deze drie dunkt u dat de naaste geweest is van de man die in handen der rovers was gevallen? Hij zei: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zei tot hem: Ga heen, doe gij evenzo." Tot zover lezen we uit het woord van God.

 

Ik heb u al gezegd: Wij kennen deze gelijkenissen maar al te goed. Maar het begint al meteen met het probleem dat we vaak niet weten waar die gelijkenissen staan en dus ook niet in wat voor context ze staan. Wat is de aanleiding en in wat voor samenhang staan ze? Want alleen daardoor kunnen we de diepere zin van die gelijkenissen verstaan. We kennen ze vaak via de kinderbijbel; dan worden ze ook zonder het kader daaromheen vaak verteld. Dan blijft er een mooi verhaal over maar je mist de aanknoping in de totale boodschap van dat wat Lukas ons wil vertellen. De Here Jezus, en dat lezen we in alle evangeliën, heeft heel wat aanvallen en verzoekingen moeten doorstaan. Zo staat het hier. Die wetgeleerde komt om Hem te verzoeken dat wil zeggen, niet alleen maar Hem op de proef te stellen maar op de proefstellen met het doel dat Hij zal struikelen over dit of dat. Dat Hij dus daardoor aan de kaak gesteld kan worden zoals het elders staat: zodat Zijn aanklagers iets hadden om Hem te kunnen aanklagen. En wat populair gezegd: men wilde Hem er maar al te vaak laten inlopen. En dat is met deze man ook het geval. "Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?" Laat ik in de eerste plaats zeggen, dan zijn we nog helemaal niet aan de gelijkenis toe, wat een bijzondere vraag dat is. Het is helemaal niet een soort vraag die u of ik zouden stellen. Ik heb u wel vaker gezegd op deze avonden, maar dat is alweer een tijdje terug, dat voor ons het evangelie vaak lijkt te bestaan uit de vraag: Wat houdt het rechte geloof in? En als je dat rechte geloof hebt, dan kom je in de hemel. Maar deze man heeft het niet over geloven, hij heeft het over doen. En hij heeft het niet over 'naar de hemel gaan' , al zou dat oppervlakkig zo kunnen lijken, hij heeft het over het beërven van het eeuwige leven. En daarbij dacht hij beslist niet aan de hemel. Want het eeuwige leven dat is het leven van het messiaanse koninkrijk. De uitdrukking 'het eeuwige leven' komt twee keer voor in het Oude Testament, in Psalm 133 'Daar gebiedt de Heer Zijn zegen en het leven tot in eeuwigheid' en in Daniël 12 'Sommigen zullen opstaan uit den doden ten eeuwige leven'. Dat is niet de hemel, die valt helemaal buiten beeld in het Oude Testament ; dat is het leven, het gelukzalige leven van het messiaanse vrederijk. En de vraag is: Wat moet je nou dóen om daar te komen? En zeg nou niet meteen vanuit uw protestantse standpunt: Het gaat helemaal niet om het doen, het gaat om het geloven, want daar hebben we het ook al eens eerder over gehad; een geloof zonder doen is geen geloof. Een geloof zonder vrucht, zonder goede werken die eruit voortvloeien, blijkt een hol en leeg, een ijdel geloof te zijn. Zonder het doen, gaat het niet. Wat zouden u en ik moeten doen, dat is best een aardige vraag om ons zelf te stellen, om het messiaanse vrederijk te beërven? De Here Jezus heeft nooit gezegd: Als je in mij gelooft dan ga je naar de hemel. Hij heeft wel vele malen, van begin tot het eind van Zijn bediening en zelfs nog na Zijn opstanding, gesproken over het koninkrijk Gods. Het eeuwige leven is het gelukzalige leven van het koninkrijk Gods. Hoe kan een mens het koninkrijk Gods binnengaan? De Here Jezus antwoordt hem eerst op het niveau van deze man zelf; hij was een wetgeleerde dat wil zeggen een kenner van de Thora. In de breedste zin, zeg maar, zoals wij het zouden zeggen, een kenner van het Oude Testament of nog duidelijker: Een kenner van de Schrift; een Schriftgeleerde. Vandaag zouden we misschien zeggen: Een theoloog. Hij antwoordt hem niet alleen als theoloog maar ook als gewoon gelovige Israëliet althans dat zou je mogen hopen en aannemen dat hij dat is: Een gelovige Israëliet. Geef hier maar eens het antwoord vanuit jouw expertise als theoloog. Wat leert die Thora waarmee jij je elke dag bezighoudt? Hoe lees je die Thora? En dan geeft hij een heel mooi antwoord. Want op een ander moment in Mattheüs 22, als tot de Here Jezus de vraag komt, wat is de inhoud van de wet, hoe kun je die zo kort mogelijk samenvatten dan geeft de Here Jezus precies hetzelfde antwoord. Die man had dus niet beter kunnen antwoorden. De boodschap van de Thora is dit: Gij zult de Here uw Gods liefhebben met je hart, ziel, kracht en verstand en je naaste als jezelf. De Here Jezus zelf zegt: aan deze twee geboden hangt de hele wet. En dan zegt de Here Jezus: nou man, je weet het antwoord. Je hebt het zelf gegeven. Vanuit jouw eigen vakkennis van de Schrift heb je precies het goede antwoord gegeven dus wat wil je nu nog meer? Doe dat wat je zelf hebt gezegd. We vinden dat misschien vreemd want we lezen toch bij Paulus dat je er met het doen helemaal niet komt. Dat doen is wel belangrijk maar je moet toch eerst geloven, je moet toch eerst wederom geboren worden. Je moet toch eerst het evangelie hebben gehoord en aangenomen hebben. Ja, maar we zijn ook nog niet waar we wezen moeten. De gelijkenis moet nog komen; daar komt het volle antwoord van de Here Jezus, dat is punt één. Maar punt twee: denk erom: Hij spreekt hier niet tot een arme heiden, die eerst tot geloof moet komen, die zich van de afgoden moet bekeren tot de levende God. Hij spreekt tot een Israëliet, een man die al tot het verbondsvolk hoort. Een man die om onder de zegeningen van dat verbond te blíjven, zijn kant van dat verbond moet vervullen. God doet Zijn kant, dat is Zijn belofte vervullen en wij moeten onze kant doen, dat zijn de verplichtingen die bij het verbond horen. Deze regels zijn niet gegeven om bij God in een goed blaadje te komen maar om bij God, als ik het zo zeggen mag, in een goed blaadje te blijven. De Tien Geboden beginnen met dat buitengewoon belangrijke: Ik ben de Here uw God, die u uit het diensthuis uit Egypteland heb uitgeleid. Hij spreekt hen aan als een verlost volk; dit is niet het antwoord aan een heiden. Dit is een antwoord aan een gelovige Israëliet. Hij is al verlost maar hoe blijft hij dicht bij de Here God? Nou, God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Zeg niet te gauw dat dat een wel erg simpel en een erg armetierig evangelie is want het is ontzettend rijk. God lief te hebben boven alles en je medemens lief te hebben als jezelf. Als we daar maar een kruimeltje van hadden, wat zou het er al een stuk beter uitzien onder de christenen en ook in onze getuigenis naar deze wereld. Dus, ga nou niet aanmerkingen maken op dit gesprek; tot nu toe gaat het helemaal volgens het boekje. En dat boekje heet het Oude Testament. En denk erom, het Oude Testament is niet een soort slap aftreksel; het is niet, nou ja, wat voor negatiefs je ook maar zou kunnen bedenken, het is Gods Woord aan Israël. Het is Israëls Bijbel. Iemand heeft eens gezegd: voor de Here Jezus was het Oude Testament Dé Schrift en het Nieuwe Testament is niets anders dan de geïnspireerde uitleg van die Schrift. Maar als in de evangeliën over de Schrift gesproken wordt, dan is dat wat wij het Oude Testament noemen. Een rijke openbaring Gods. Maar nu komt deze wetgeleerde. Er staat: hij wilde zich rechtvaardigen. Dat is een interessante uitdrukking. Hij was aangesproken in zijn geweten. Het voelde alsof de Here Jezus wilde zeggen: man, wat stel je toch een domme vragen; je bent nota bene wetgeleerde. En je weet wat de wet zegt, waarom vraag je dan naar de bekende weg? Je weet het al, dus dóe dat. Ah, maar nu komt de aap uit de mouw. Wie is mijn naaste? Daar zat een diepere gedachte achter. Dat is misschien niet zo één twee drie doorzichtig, maar wat bedoelde hij daarmee met die vraag? Ik neem u even mee naar een woord uit de bergrede in Mattheüs 5:43. In Mattheüs 5 noemt de Here Jezus een heleboel uitspraken van de schriftgeleerden waar Hij dan tegenin gaat. Sommige mensen hebben dat verkeerd begrepen; die dachten dat de Here Jezus inging tegen het Oude Testament; geen sprake van. De Oudtestamentische Schrift is de openbaring van God. De Here Jezus is daar nooit tegenin gegaan. Maar waar Hij tegenin gaat is wat de schriftgeleerden daarvan gemaakt hebben. Dat klinkt nogal vanzelfsprekend maar dat is het helemaal niet. Er zijn heel wat theologen geweest die als je hun theorieën aanviel, zeiden: Die persoon valt de Schrift aan want automatisch namen zij natuurlijk aan dat hun opvattingen die van de Schrift waren. Dus als je hen aanviel, dan viel je de Schrift aan. Daar hebben heel wat kerkscheuringen op plaatsgevonden omdat wie het niet met jou eens was, die viel de Schrift aan. Nou, dat kan natuurlijk niet. Nee, de Here Jezus valt niet de Schrift aan en wij doen dat ook niet. Wat Hij aanvalt is wat de mensen, de schriftgeleerden, de theologen erbij bedacht hadden en ervan afgehaald hadden. Neem nou dat vers dat ik net al noemde, Mattheüs 5:43. (Als u wou had u het intussen kunnen opzoeken.) Daar zegt de Here Jezus: "Er is gezegd: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf en uw vijand haten." Dat eerste is bijbels: Gij zult uw naaste liefhebben, het tweede is menselijk toevoegsel. En dáár ging de Here Jezus tegenin. Hij zegt: Je moet je vijanden liefhebben. Hij protesteert tegen het feit dat het woord 'naaste' werd ingeperkt. Van 'de naaste' maakte men letterlijk 'de volksgenoot' of zelfs het lid van de eigen sekte. Je had de sekte van de Farizeeën en de Sadduceeën en de groepering van de Herodianen. De naaste dat is iemand die ook letterlijk het naaste staat: Je familie en je groepsgenoten. En hoogstens nog je volksgenoten maar verder niet. En dus maakte men erbij: Je moet je vijand haten zonder te bedenken dat elk mens die God op onze weg brengt, of het nou een Samaritaan is of een jood of een moslim, zwart of blank, hetero of homo, man of vrouw, jong of oud. Als mens, en vooral als een mens in nood is en hij is op mijn weg, als mens is hij op dat moment mijn naaste. Dat is niet zo makkelijk hoor. We zijn nog steeds niet aan de gelijkenis toe; het wordt een lange avond. Maar als we dit niet pakken dan is de gelijkenis, dat is het nadeel van de kinderbijbels, die gaat helemaal aan ons voorbij. De naaste is de mens die God ons op de weg brengt. En nu gaat de Here Jezus op die vraag antwoorden. Wie is mijn naaste? En het verhaal geeft dat inderdaad precies aan. Die Samaritaan vindt op zijn weg een mens die halfdood is geslagen door de rovers en hij vraagt niet, (want deze Samaritaan wordt niet gekweld door theologische vragen, wat is dat een zegen en een voorrecht; ik kan niet zeggen dat mij dat vaak gebeurt; ik word er wel vaak door gekweld), hij wordt niet gekweld door de vraag: Is deze man wel mijn naaste? Even opzoeken in het boekje. Valt hij onder de definitie, o nee zeg, het is een jood. O nee, hij is geen naaste, hij is mijn vijand. Want dit was het woord van de schriftgeleerden: Je naaste moet je liefhebben maar je vijand moet je haten. En dus kon hij heerlijk doorgaan. Maar dat deed de Samaritaan niet. Het waren de priester en de Leviet die dat deden. Maar het verhaal zit nog veel wonderlijker in elkaar. Want denkt u eens een ogenblik met mij mee. Wat wou die man weten, die wetgeleerde? Hij wou weten: Wie is mijn naaste? En hij had gezegd: Je moet je naaste liefhebben als jezelf. Wie is die medemens die ik moet liefhebben als mijzelf? Hoe je dingen moet doen als deze Samaritaan deed. Voor wie ik moet stilhouden, moet me over hem heen buigen, olie en wijn in hun wonden gieten, hen op mijn rijdier zetten, voor hen zorgen en bij de herberg afleveren. Wie is die naaste die ik moet liefhebben? Maar nou het vreemde en heel vaak is daar weinig aandacht aan geschonken. In heel veel commentaren stapt men daar zomaar overheen en dat heeft me altijd zeer verbaasd. Want je zou verwacht hebben dat de Here Jezus het volgende verhaal had verteld en dat is niet het verhaal wat hier staat. Je zou verwacht hebben dat hij vertelde van een arme Samaritaan die door de rovers in elkaar was geslagen en langs de kant van de weg lag. En jij wetgeleerde, jij bent nou die jood op dat ezeltje en jij komt langs die plaats en daar ligt een Samaritaan. Daar zit je nou met je mooie theologie. Want volgens jouw theologie is deze man geen volksgenoot, sterker nog, hij behoort tot een volk dat door de joden algemeen werd verafschuwd; het volk van de Samaritanen. Want dat waren maar halve joden en dus ook halve heidenen; het waren mensen die de dienst van God vermengd hadden met allerlei heidense elementen. Ze konden elkaar niet luchten of zien. Het verhaal zoals het volgens mij dus had moeten luiden dat is dat deze jood die Samaritaan ziet liggen en dan moet hij zijn hele theologie overboord gooien want de Here Jezus maakt hem duidelijk dat je zelfs, niet alleen als Farizeeër voor de Sadduceeën, dat was misschien al moeilijk genoeg, maar dat je zelfs voor een Samaritaan van je ezeltje af moet komen om die man te helpen. Weet u als het verhaal zo had geklonken hadden we best een hele mooie avond met elkaar kunnen hebben. Dan hadden we elkaar kunnen vertellen dat ook wij heel vaak in zo'n situatie zitten. Bij ons is het hemd ook nader dan de rok. Ook wij hebben de neiging, al is dat gelukkig sterk aan het veranderen, om toch in de eerste plaats bezig te zijn met onze eigen mensen. Je moet goed zijn voor alle mensen zegt Paulus aan de Galaten maar vooral voor de huisgenoten van het geloof. Nou, die huisgenoten van het geloof, die kring die trekken we dan nog een beetje nauwer, bij voorkeur dan toch de mensen van onze eigen kerk. Vroeger liep er door de dorpen toch een scherpe grens van gereformeerd en hervormd en de gereformeerden die kochten bij de gereformeerde bakker en de hervormden bij de hervormde bakker en evangelischen had je nog niet dus dat was dus geen probleem, maar zo was dat scherp verdeeld. Onze eigen mensen waren de mensen van onze eigen club. En wij zouden een heel gezegende avond met elkaar kunnen hebben als het verhaal zo had geklonken en wij dus over de grenzen heen hadden gekeken en hadden gezegd: nee, hervormden moeten ook lief zijn voor gereformeerden en omgekeerd. Nou is dat tegenwoordig minder moeilijk. Ook voor katholieken, o wordt al moeilijker, voor moslims. Ziet u, ik zit nog steeds te vertellen wat een mooie avond we hadden kunnen hebben; als het verhaal zo had geklonken. En eerlijk gezegd, ik heb daar lang, dat is al tientallen jaren geleden, maar ik heb daar lang over gepiekerd: waarom is het verhaal zó? Het verhaal staat op zijn kop. Want het verhaal luidt helemaal niet dat een jood goed moet zijn voor zijn partijgenoten en voor zijn volksgenoten en familieleden en zelfs voor een Samaritaan. Het verhaal staat op zijn kop: het is de Samaritaan die zich over de jood erbarmt. Ja, als nu een Samaritaan deze vraag aan deze wetgeleerde had gesteld 'wie is mijn naaste', kan ik me voorstellen dat de Here Jezus het verhaal zó verteld had. Maar zo luidt de vraag niet, dat is de situatie niet. Daarom zei ik: het is belangrijk om te kijken wat de situatie is. De naaste is degene voor wie ik lief moet zijn. Maar aan het einde van het verhaal vraagt de Here Jezus: "Wie is nu de naaste van die man die in de handen van de rovers is gevallen?" Dan geeft hij het antwoord, hij krijgt het woord 'Samaritaan' niet uit zijn strot. Dat is weer een beetje te veel gevraagd, maar hij zegt "Die hem barmhartigheid bewezen heeft." Ja maar, wacht even. De naaste is degene die ik moet liefhebben als mezelf. Wie is nu voor wie de naaste? Ik zou verwacht hebben: die arme man is de naaste voor diegene die op het ezeltje zit. Maar de Here Jezus zegt: wie is de naaste van die man? Dat is niet de man voor wie jij lief moet zijn, maar de man van wie jij barmhartigheid ontvangt. Dit is een revolutionair nieuw concept van de naaste. En als ik dat nu voor het voetlicht zou kunnen krijgen vanavond, dan gaat u begrijpen dat het een heel andere avond wordt. Hij zegt daarmee indirect tegen die wetgeleerde: zal ik je eens wat vertellen man? De grote vraag van de naaste in jouw leven. Dat is niet de vraag wie degenen zijn aan wie jij jouw barmhartigheid kwijt kunt, maar de grote vraag is van wie jij barmhartigheid moet aannemen. Die wetgeleerde en die man die in de handen van de rovers is gevallen horen bij elkaar: allebei Israëlieten. De Here Jezus zegt eigenlijk tegen die wetgeleerde: man, vergeet nu eens aan wie jij liefde moet bewijzen. Stel je nu eens een hele andere situatie voor. Stel je eens voor dat jij die man bent. Op weg van Jeruzalem naar Jericho. Jeruzalem ligt 700 meter boven de zeespiegel, Jericho 200 meter eronder, dat is ongeveer een afstand van 20 kilometer: een hoogteverschil van bijna 1000 meter. Dat is veel. Hij daalde af. Dat mag je ook letterlijk zien: hij gaat weg van de stad van God. En hij gaat steeds verder en als je nog verder afzakt, kom je bij de Dode Zee. Ik wil het niet te veel allegoriseren, maar deze man gaat weg van de stad van God en komt in de handen van de rovers en daar ligt hij nu. Wetgeleerde, probeer je dat nu eens in te denken. Probeer eens 180 graden je denken om te draaien. Stel je nu eens voor dat je je helemaal niet meer hoeft te bekommeren om de vraag: aan wie kan ik mijn liefde kwijt? Maar de vraag 'van wie wil jij liefde aannemen?' is veel moeilijker, weet je dat. Ik ken wel mensen die het vervelend vinden om hun buren te helpen in geval van nood. Niet omdat ze te beroerd zijn om hulp te bieden, maar omdat ze voor één ding doodsbang zijn. Namelijk dat wanneer ze zelf ziek worden, dat ze zelf hulp moeten aannemen van die buren. Weet u dat het vaak veel makkelijker is om hulp te geven dan om hulp aan te nemen? En dat ze het misschien best zouden kunnen opbrengen om een pannetje soep te maken voor dat gezinnetje naast waarvan moeder ziek is, maar dat ze zich niet kunnen indenken zelf ziek te zijn en een pannetje soep van de buren te moeten aannemen. Te leven uit genade. Te leven van barmhartigheid van anderen.

Dit is één van de meest hatelijke dingen van het christelijk geloof: te leven uit genade. Elke godsdienst heeft als het ware een recept hoe je op eigen houtje de hemel of de gelukzaligheid of het nirwana of weet ik hoe het heet te bereiken. En er zijn heel wat stromingen in de christenheid die precies zo zijn. Die ons vertellen: als je nu maar dit en maar zus en als je nu maar dat programma volgt en je doet die dingen ... De vijf pilaren van het islamitisch geloof. Wat het ook moge zijn: als je maar zelf dingen kunt doen. Maar de boodschap van de Here Jezus is: man, houd eens op om te bedenken wat je zou kunnen doen voor een ander, want het evangelie begint ermee dat je eerst zult moeten ontvangen van een ander. Van De Ander. Man, jij zit niet op het ezeltje, jij bent degene die daar half dood geslagen langst de kant van de weg ligt. En je bent afhankelijk van de goedgunstige Voorbijganger. En ik zal je wat vertellen, zegt de Here Jezus. Van de gevestigde godsdienst hoef je het niet te verwachten: een tweede dreun voor deze man. Daar komt de priester langs. Hij heeft de gouden tijd van zijn leven gehad. Hij is opgeroepen om in Jeruzalem te mogen dienen, dat is wat! Er waren zoveel priesters in die tijd dat ze allemaal een keer op het lot moesten wachten om ooit een keer in het heiligdom te mogen dienen. Zacharias heeft op hoge leeftijd eindelijk dat ook mogen bereiken. Dat leest u in Lucas 1. Het lot viel op hem en hij mocht een keer. Dat is once of a lifetime. Daar kijk je je hele leven naar uit om dat te mogen beleven. En deze man die had het gehad. En hij was op weg naar huis om het allemaal te vertellen. Hij kon nog niet sms-en en mailen enzo, maar hij zat vol van dat grote nieuws. Hij zou thuis gaan vertellen hoe hij in de tempel had mogen dienen. Hij was zijn hele leven al priester geweest, maar er zijn er zoveel dat je geen kans krijgt om te dienen in de tempel. Nu had hij dan toch zijn kans gehad en hij was op weg naar huis. En u weet: om priester te zijn is geen gemakkelijke zaak. Je moest aan zoveel regeltjes voldoen. Eén van die regeltjes is dat je geen dode mag aanraken. Die man die daar halfdood lag langs de kant van de weg: probeer maar eens van een afstand te zien of hij halfdood of heeldood is. Die man dacht bij zichzelf: daar brand ik mijn vingers niet aan. En hoe groter de boog is waarmee je er omheen gaat, hoe groter de afstand en hoe meer je tegen jezelf kunt zeggen: ik zag hem eigenlijk ook niet. Want het is natuurlijk nergens voor nodig om een grote boog te maken, je kunt er ook pal langs lopen. In beide gevallen is het effect hetzelfde: je doet niks. De gevestigde godsdienst.

Weet u, in Nederland beleven we een situatie dat er elk jaar zoveel tienduizenden mensen weggaan uit de PKN. En dat is helemaal niet zo erg als het lijkt. Een groot deel was altijd al meelopers. Niet allemaal, daarvoor is het jammer en droevig. Er moet een stuk eerlijkheid zijn. Dat we overhouden die mensen die echt willen. Die echt de Here willen dienen. Ik zeg het wat zwart-wit. Ik weet wel dat er nog een heleboel andere kanten zijn. Want je hoopt toch altijd dat ze wel komen. Dat ze nog een keer door het Woord geraakt worden. Maar wat ik bedoel te zeggen is: we hebben vroeger een situatie in Nederland gehad dat iedereen godsdienstig was. Maar er waren zo ongelooflijk veel godsdienstige mensen zonder enig geestelijk leven. Ik sprak pas met iemand die een reis geleid had van een christelijke reisorganisatie: al die mensen waren christelijk. Maar ze moesten uitdrukkelijk tegen die mensen zeggen dat ze hun bijbel moesten meenemen op reis. En heel veel mensen zeiden: waarom dat dan, daar had ik helemaal niet aan gedacht. "Hoezo? Lees je niet in de bijbel?" "Ik ga toch 's zondags naar de kerk?" Je kon uit die mensen ook helemaal niks krijgen, geen woord kwam eruit. Er was niemand die wilde beginnen met gebed of eindigen met gebed. Het was een sloom stelletje. Ze waren allemaal godsdienstig, maar er zat helemaal niks bij. In evangelische kringen wordt dat wel een genoemd 'een geest van religie'. Dat klinkt dan nog harder, want dat betekent: die mensen zijn niet alleen godsdienstig, er zit ook nog een geest van godsdienstigheid in. Nou, in elk geval was dat zo bij die farizeeër en die Schriftgeleerde. Godsdienstiger mensen kun je je niet voorstellen. Pas heb ik met mijn oudste zoon tien dagen in Jeruzalem gewoond en ik wilde dolgraag in de oude stad zijn. En we hebben bij lieve orthodoxe joden daar een appartementje mogen huren. Maar dat betekent dus dat we van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in die stad waren, en ook 's nachts. 's Nachts was er altijd een hoop herrie, want altijd zijn daar mensen die van en naar de Klaagmuur gaan om te bidden. Het is het toppunt van vroomheid en godsdienstigheid. En ik kan niet in de harten van die mensen kijken en er zullen vast een heleboel oprechte mensen zijn, die de Here met het inzicht dat zij hebben van harte liefhebben. Daar wil ik vanuit gaan. Maar je ruikt tegelijkertijd de godsdienstigheid waar het gaat om uitwendige dingen en je vraagt je af hoeveel echt leven. We hebben echte godsdienstige dorpen in ons land waar massa's mensen naar de kerk gaan. Maar hoeveel van hen hebben een persoonlijke relatie met de Here God? Wat de Here Jezus tegen deze wetgeleerde zegt is: man, als het jou overkomt dat je er zo aan toe bent, dan hoef je het niet te verwachten van de godsdienstige mensen, die hier vertegenwoordigd worden door de priester en de Leviet. Dat maakt het nog zuurder. Niet alleen dat hij de zegen moest aannemen van een Samaritaan, maar dat de gevestigde godsdienst het erbij zou laten zitten. Dat hij daar niets van zou hoeven te verwachten, de goede uitzonderingen niet te na gesproken. Wat zou het met u zijn en iemand stopte vriendelijk: een dame met een hoofddoekje en u weet, het is een moslim. Misschien had u wel liever gehad dat het een evangelische of een hervormde zuster was. Hoe verder iemand van ons afstaat, hoe moeilijker het is om hulp, liefde zelfs, van zo iemand te accepteren. Ziet u hoe de hele gelijkenis hier op zijn kop staat?

In de jaren vijftig was er een professor in de hervomde kerk, zijn naam was professor Smits, die de hele kerk liet schudden – dat was dan weer positief, dat ze er allemaal van schrokken -, die zei: wat de genade betreft, geef mijn portie maar aan Fikkie. Dat is een heel beruchte uitspraak geworden. Die man zei: als ik voor de Here God sta, wil ik voor mijn eigen zonden opdraaien. Genade? Ik hoef niet van genade te leven. Ik wil verantwoording dragen voor mijn eigen daden. Je krijgt er de koude rillingen van over je rug als je zoiets leest of hoort. Dat heeft dan ook heel veel opschudding gegeven in die tijd. Gelukkig, terecht. Wij houden er niet van om uit genade te leven. En weet u? Als u daar ook niet van houdt zijn er godsdiensten genoeg in deze wereld en er zijn ook christelijke stromingen genoeg. Gaat u daarheen. Die vertellen u gewoon wat u zelf moet doen en als u dat nu maar doet, dan komt u er wel. En dat steelt u: u kunt iets doen, u kunt iets presteren. En als u presteert, dan geeft dat een goed gevoel.

Ik kan me voorstellen dat die joodse man daar aan de weg lag en dan komt daar die priester, die Leviet en dan die Samaritaan. Hij tilt iets zijn hoofd op en hij ziet het meteen: een Samaritaan. Die mensen kleden zich anders dan joden. En onmiddellijk komen er twee gevoelens in zijn hart op. Het ene gevoel is: o, nee hè, ik wil niet door die man geholpen worden. En het andere is het omgekeerde: die man zal mij vast wel niet willen helpen. Weet je, je kunt het bekijken vanaf de kant van de Samaritaan. Dat wordt ons ten voorbeeld gesteld. De Here Jezus zegt aan het eind: En gij, doe evenzo en doe net als die Samaritaan. Dat is mooi en dat moeten we allemaal ook vooral doen. Maar ik verplaats me nog steeds in de positie van de jood. Want de wetgeleerde dat is eigenlijk die jood die daar ligt, niet die Samaritaan. Ik verplaats mij in mijn eigen situatie. Hoe komt het dat verreweg de meeste mensen die christen worden, dat worden op heel jonge leeftijd? Nu, ik zal u dat vertellen: hoe ouder je wordt, hoe groter je sokkel wordt, je voetstuk waarop je staat. Hoe groter de dunk wordt die je van jezelf hebt, des te moeilijker wordt het om als een half dood mens aan de kant van de weg te liggen en te leven uit genade. Te leven door de goedgunstigheid van een Ander, die Zich over jou heen buigt om jou van de dood te redden.

Natuurlijk dat 'ga heen, doe gij desgelijks' dat blijft helemaal staan. De Here Jezus geeft een antwoord: zo moet jij het nu ook doen. En het is een goede vraag om onszelf die vraag te stellen: wat zouden wij doen in zo'n situatie? Ik hoorde eens van een psychologisch experiment, dat vond ik één van de leukste die ik ooit gelezen heb. Dat ging over theologiestudenten. Veertig van hen. Ze kenden elkaar niet, ze waren op heel verschillende plaatsen, ze wisten niet wat er met die anderen gebeurde. Alle veertig kregen ze onafhankelijk van elkaar de opdracht om een preek te houden over de Barmhartige Samaritaan voor alle hoogleraren en alle eerstejaars. Ze gingen al naar het eindexamen toe, het doctoraalexamen. Dat zou op een bepaalde tijd gebeuren. Ze wisten niet dat ze deelnamen aan die proefopstelling. Het was zo geregeld dat ze kort voor het begin nog opgehouden werden in een heel ander deel van het gebouw, zodat het er uiteindelijk nog op aankwam dat ze zich moesten haasten ook. En ze haastten zich naar die plek waar ze die vererende lezing zouden mogen houden, naar al die studenten en hoogleraren. En onderweg in de gang kwamen ze iemand tegen die onwel was geworden. Dat was een toneelspeler, maar dat wisten zij niet. U voelt hem al aankomen ... Als ze stilgehouden hadden, hadden ze al die studenten en vooral al die professoren laten zitten en dat was natuurlijk wel heel erg moeilijk, om daar te laat te verschijnen zou wel een enorme blamage zijn. Maar ja, om die man daar te laten liggen die zo duidelijk niet goed was en onmiddellijk hulp nodig had. Vandaag zou je ook nog moeten zorgen dat ze geen mobieltje bij zich hadden, want anders konden ze al rennend nog even 112 kunnen bellen en zeggen: ga daar en daarheen. Nee, jij moet hulp bieden, er is in de verste verte niemand te bekennen en als je dat doet, zul je niet op tijd in de collegezaal zijn. Wat denkt, van de veertig studenten, hoeveel er stilgehouden hebben om die arme man te helpen? Twee? Wie biedt er meer? Vijf? Ik zit altijd te wachten tot er iemand nul roept. Die zijn er helemaal van overtuigd dat de mens onbekwaam is tot enig goed. Nou, je zat er dichtbij, het waren er drie. We kunnen dat positief bekijken: het waren er dan gelukkig toch nog drie. Eerlijk gezegd zou ik denken bij mezelf: dit kan niet waar zijn. Ik ga op weg naar een lezing over de barmhartige Samaritaan en dan kom ik zoiets tegen. Ze proberen me erin te laten lopen. Ik denk dat ik dat zou denken. Drie van de veertig. Dat maakt die gelijkenis wel actueel. Wat zouden u en ik doen? Hoe vaak zijn wij al langs iemand gereden die duidelijk met pech langs de kant van de weg staat en wij reden door? Ik heb altijd twee enorm goede smoezen: ik ben technisch debiel, dat is punt één. En mijn tweede smoes is altijd: er komt vast wel iemand na mij die er meer verstand van heeft en die meer tijd heeft dan ik, want ik heb nooit tijd natuurlijk en zo is het met ons allemaal. Wat denk je? Die priester had een goed argument om het niet te doen. Die Leviet had ook een goed argument om geen hulp te bieden. Ze hadden allemáál steengoede argumenten. Die mensen zijn niet slecht, ja ik weet: ze zijn allemaal onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, maar in de praktijk als het om een beetje hulpvaardigheid gaat, zijn de meeste mensen best bereid om hulp te bieden. We hebben alleen vaak zulke goede smoezen om het niet te doen. We zeggen niet tegen onszelf: die man daar langs de kant van de weg, die kan stikken. Maar we zeggen: oe, wat naar voor die man, maar ik heb geen tijd, of ik kan niet helpen, of ik mag hem niet aanraken omdat hij dood is. We hebben zoveel smoezen om het niet te doen. Kijk, dat is onze kant van het verhaal. En zeker als het iemand is van een ander volk, van een ander geloof, of een ander ras. Of misschien is het wel de slechtste persoon in Waddinxveen die daar langs de kant van de weg ligt. Weet je wel, echt zo'n slecht iemand. Net zoals die zondares in Lukas 7, waarvan iedereen in het dorp wist hoe slecht ze was. Dat is de ene kant en die blijft ook staan. Ga heen, doe gij desgelijks. Maar die andere kant: jij bent die man langs de kant van de weg, beste wetgeleerde.

En wie is de Samaritaan? We lazen van de week aan tafel, mijn vrouw en ik, uit het Johannes-evangelie een stuk waarin de joden zo fel op Jezus gebeten waren, de geestelijke leiders in hoofdstuk 8,: zeggen we niet terecht dat u een Samaritaan bent? Je kunt iemand zo kwetsen met een gemeen scheldwoord. U bent een Samaritaan, dat is ongeveer het meest erge wat ze tegen hem konden zeggen. En de Here Jezus neemt dat over. Wat is het bijzondere van de daad van deze Samaritaan? Dit: dat er voor hem niets tegenover stond. Wij willen ook best helpen, als het dan bij voorbaat ook bekend wordt dat wij zulke hulpvaardige lieden zijn. We hopen dat dan. Aan de creditzijde voor ons ook iets bij is, dat het ons aanzien en respect oplevert, dat andere mensen zullen zien hoe goed wij helpen. We willen best helpen als er ook bepaalde voordelen tegenover staan. Wij vinden dat ook billijk voor wat hoort wat. En als die ander vooral dankbaar is, als hij nog niet eens dank je wel zegt, dat zit ons dwars. Ik weet al die dingen van mezelf het zit allemaal in mijn eigen hart. Voor deze man zat er niet in.

In de eerste plaats was het niet veilig, hij had kunnen denken ik moet hier zo snel mogelijk weg wezen want er zijn rovers in de buurt blijkbaar. Ze hebben hem te pakken gehad straks hebben ze mij ook nog te pakken. En hij had geld bij zich dat blijkt later wel. Want hij betaald aan de herbergier. Weg wezen hier, veel te gevaarlijk. Goed argument niet waar om niet te helpen! Veel te gevaarlijk. Het was voor het gevaar van zijn leven dat hij hulp bood. Wat leverde het voor hem zelf op? Alleen maar moeite, hij moest nu naast zijn ezeltje lopen, hij moest een grote omweg maken naar de herbergier, hij moest daar ook nog geld betalen voor de zorg voor die man. Wat zat er voor hem in? Niks! Hoogste de voldoening iemand geholpen te hebben. Dat is alles. En die voldoening is ook wel een zeker prijs, maar daar staat toch al die moeite niet tegenover. Dat is veel te veel. Dat is geen goede verdeling. Misschien de dankbaarheid van deze man. Dit is, er is geen mooier voorbeeld te vinden in de Bijbel van wat naastenliefde is. Een liefde waarbij je ontzettend veel geeft, met gevaar voor je leven, waar je je koste nog moeite spaart, waar je je olie en je wijn voor geeft en je geld voor geeft, waar je iemand op je eigen ezeltje draagt naar de herberg, waar je enorm veel investeert, en bitter weinig voor terug krijgt. Er is geen mooier voorbeeld van naaste liefde. Maar dit is de grote vraag. Wie is hij? En ziet u wat een mooie vraag dat is om vanavond aan elkaar en aan onszelf te stellen. Wie is mijn naaste? Zoals de wetgeleerde die stelde, is dat een vraag waar ik wel enige eer aan kan ontlenen. De naaste is degene die ik mag helpen, die ik mag dienen. Waar ik iets voor over mag hebben. Met de bijgedachte als het dan ook maar iets voor mij oplevert. Maar het eind van de gelijkenis is de vraag heel anders gaan luiden. Wie is de naaste, wie is de Naaste ? Van wie ik afhankelijk ben om het leven er niet bij in te schieten, om te overleven, die mijn wonden verzorgt, en die zorgt dat in niet krampeer langs de kant van de weg, die mij brengt op een veilige plaats waar voor me gezorgd word, daar waar ik weer kan herstellen, die met gevaar voor z, n eigen leven zich over mij heen buigt om mij te helpen. Niet de persoon die ik zelf uitgekozen zou hebben. We lezen in Jesaja 53 dat van de Here Jezus gezegd word, Hij had gestalte nog luister, dat zegt Zijn eigen volk van Hem. Gestalte nog luister. Ik heb wel eens Jezus films gezien en de meeste van u zullen dat ook wel eens gezien hebben, en het aller aller moeilijkste in zo, n film is wie moet de rol van Jezus vervullen. We hebben altijd voor onszelf zo de vraag, voldoet iemand aan de voorstelling die we zelf van Jezus hebben. Het mooiste vind ik altijd nog dat het zo opgelost werd zoals in de film van Ben Hur, ik weet niet dat is al een ouwe film dus alleen hele ouwe knarren onder ons hebben dat gezien, maar daar kijk je de Here Jezus die paar keer dat Hij in die film voorkomt alleen maar op de rug, je krijgt Hem nooit in het gezicht te zien. Kunt u zich dat herinneren? Dat is opzettelijk zo gedaan. Je ziet nooit Zijn gezicht. Want dat is de moeilijkheid in die film. Het is een indrukwekkend figuur maar zo,n indruk maakte Hij helemaal niet in het evangelie. Ik zeg het nog Jesaja zegt Hij had gestalte nog luister dat wij Hem begeerd zouden hebben. Eer was niets aantrekkelijks aan. Bij Zijn dienstknecht was dat net zo en bij Paulus was dat ook zo. De mensen zeiden van ja de brieven zijn wel mooi maar Z, n persoonlijk optreden, het is een klein mannetje dat weten wij uit de geschiedenis, trouwens ook Zijn naam betekend ook de kleine, een onooglijk mannetje, geen groot redenaar niet iemand die meteen respect in boezemt, ja Zijn brieven ja ja, maar niet Zijn persoonlijk optreden lees het maar na in 2 Corinthe.

Dat zijn de mensen van wie God gebruikt maakt om Zijn doel te gebruiken. En de Here Jezus is de eerste. Zou je wel eens door de Here Jezus geholpen willen worden? Maar dan ziet Hij er anders uit dan in de kinderbijbel. Als je nou zelf mocht weten door wie zou je geholpen willen worden in deze hele wereld? Wie denk je dat jou het beste zou kunnen helpen? Ik weet niet hoe Mohammed er uit gezien heeft of Boeddha of Socrates of ... Ik weet het niet. Maar Israel zegt van de Here Jezus, Hij had niets aantrekkelijks waardoor onze harten naar hem toe getrokken werden. Ik zei u al wij lezen nu thuis het Johannes evangelie weer door en ik geniet er altijd weer intens van maar je komt er ook altijd weer van onder de indruk terwijl ik het toch al zo vaak gelezen heb, die haat die afkeer die onverbloemde afkeer van Jezus. En ik zeg het nog eens, vergeet dat bijna romantische beeld dat wij hebben, helemaal als de Here Jezus aan het kruis hangt, dan zegt Jesaja niet meer menselijk was Zijn verschijning, zo uitgemergeld, zo mismaakt zo misvormd. Des te groter is het wonder dat die hoofdman over honderd dan zegt, waarlijk deze was Gods Zoon geweest. Want die man keek door de buitenkant heen. En dat kan alleen maar door het licht van de Heilige Geest. En dwars door die uiterlijke vorm die niet meer menselijk was zag hij de Zoon van God.Je red het niet zonder die aanraking van God waardoor je in Jezus ineens de barmhartigheid van God ziet. Dat is nou echt Lukas, deze gelijkenis kon niet in Matheus of in Johannes staan, dat is natuurlijk een beetje een gewaagde uitspraak en makkelijk want hij staat nou eenmaal in Lukas, maar hij past ook zo echt in Lukas. Dokter Lukas, hij heeft de eer ontvangen om over de Here Jezus te mogen schrijven als de Man die de genade en barmhartigheid van God in deze wereld brengt.

We keken weer uit op de velden van Efratha, mijn zoon en ik, we zijn ook in Bethlehem geweest in augustus. Dan bedenk je weer aan hoe de engelen dat gezegd hebben, vrede zei God in de hoogste hemelen vrede op aarde in mensen een welbehagen. God heeft in de mens behagen en als de Here Jezus voor het eerst optreed in de synagoge van Nazareth dan lezen we in Lukas 4 dat de mensen in Nazareth verbaasd waren over de woorden van genade die over Zijn lippen kwamen. In Hem kwam de genade van God tot mensen. Daarom nergens zoveel gelijkenissen, we zullen dat de volgende keer ook zien bij de verloren zoon, nergens zoveel gelijkenissen waarin de genade van God door deze Mens heen komt, het is als olie en wijn op die arme verwonde mensen die van begin af aan in dit evangelie ziet.Dit is het evangelie waarin we vijf keer horen overeen weduwe, want God heeft erbarmen met weduwen en de wezen. Gaat ze zelf maar eens opzoeken, een mooi thema op zich die vijf weduwen in Lukas, ze passen zo echt hier. Dokter Lukas heeft oog voor de zwakke en voor degene die hulp nodig hebben voor degene die hunkeren naar de genade van God. Hij is die man die het verhaal vertelt van die zondares die daar aan de voeten van de Here Jezus neer zakt. En Zijn voeten met haar tranen nat maakt en met haar haren afdroogt in Lukas 7. En daar is Simon de farizeeër, ziet u nou precies die priester en de leviet, met al die godsdienstigheid, al die huichelarij, al die vrome arrogantie, als deze wist wie die vrouw was dan zou Hij haar van zich gestoten hebben. Maar Jezus wist veel beter wie die vrouw was dan Simon zelf. Hij stootte haar niet van Zich. Hij zei vrouw uw zonden zijn u vergeven. Hij is ook het evangelie van de vergeving. Aan het eind van Matheus leest u ook een prachtig zendingsbevel, het is de moeite waard om over na te denken. Markus hetzelfde maar in Lukas is het zendingsbevel dat er verkondigd moet worden bekering en vergeving van zonden.

Daar stuurt de Here Jezus ook Zijn discipelen erop uit met olie en wijn om zo te zeggen. Omdat er overal in deze wereld verwonde mensen zijn. Mensen die pijn hebben. Pijn door de zonde, maar dat vergeten we wel eens maar ook vooral pijn door de wonden die hun geslagen zijn door anderen mensen. Mensen die verdriet hebben vaak over dingen waar wij helemaal geen weet van hebben omdat we zo weinig in elkaar belangstellen. Hier zitten vanavond ook verwonde mensen in deze zaal Hier zitten mensen van sommige kennen we het verdriet van maar vele hebben verborgen verdriet. Misschien heeft bijna iedereen wel ergens een verborgen verdriet. En wij worden erop uit gestuurd als mensen met olie en wijn in het voetspoor van die barmhartige Samaritaan. Maar daarvoor moet je eerst zelf langs die kant van de weg gelegen hebben. Ik vraag u vanavond niet hoe godsdienstig u bent, dat zal best in orde zijn anders was u hier vanavond niet, hoewel er kan hier ook een zondaar of een zondares die een slechte reputatie heeft in deze regio toch per ongeluk zijn binnen gekomen. Hartelijk welkom bij Jezus! Want Hij is Diegene die olie en wijn op uw handen wil gieten. Ook de wonden die u geslagen zijn door allemaal godsdienstige mensen die zich zo ver boven u verheven voelden. En die dat ook goed hebben laten merken hoe goed zij zijn en hoe slecht u bent. Hartelijk welkom aan de slechte mensen vanavond. Ook een hartelijk welkom trouwens aan de godsdienstige mensen. Het is veel makkelijker om een slecht mens te bekeren dan een godsdienstig mens te bekeren dat moet ik er wel bij vertellen. Maar bij God is niets onmogelijk. God is bij machte om zelfs godsdienstige mensen te bekeren. Waarom is dat zo moeilijk om hen te bekeren? Waarom is het zo moeilijk om de priester en de Leviet te bekeren? Waarom is het zo moeilijk om zulke wetgeleerden te bekeren? Omdat ze het allemaal al zo goed weten. Omdat ze allemaal al zo gearriveerd zijn. Omdat ze misschien elke zondag twee keer in de kerk zitten, en trouw hun kerkelijke belasting betalen, en zes keer per dag bidden aan tafel, drie keer voor en drie keer na en drie keer per dag uit de Bijbel lezen, wat wil je nou nog meer. Ik krijg dat wel eens te horen, wat wil je nou nog meer dan. Nou je hoeft alleen maar te vragen wat betekend de Here Jezus voor jou? En je prikt als een ballon door die hele godsdienstigheid heen. Alleen maar die simpele vraag. Wat betekent de Here Jezus voor jou? Zeg nou eens heel eerlijk, in je gewone alledaagse leven. Laat al dat bidden en danken nou eens weg en laat al dat Bijbel lezen nou eens weg en het kerkbezoek en die kerkelijke belastingen, allemaal weg. Wat betekent Jezus voor jou? Heeft Hij wel eens olie en wijn mogen gieten niet alleen maar op de wonden die door jou zonden geslagen zijn, we hebben vaak eenzijdig aandacht voor alle zonden, dat moet er ook bij dat hoort er ook bij. Hij is gekomen om vergeving voor zonden te brengen. Maar Hij hield ook zo van alle mensen die wonden hadden, niet alleen zonden. Er zijn heel wat mensen die meer lijden door wonden die hun door anderen zijn toegebracht, dan door hun eigen zonden. De wonden van deze man langs de kant van de weg dat waren niet zijn zonden, zo zou je dat wel mooi kunnen toe passen, maar dat klopt natuurlijk niet, die wonden zijn er toe gebracht door anderen. Bent u zo iemand hier? Weet u als ik er wel eens naar vraag bij mensen dan kom je tot de conclusie dat misschien wel meer dan de helft van alle mensen die hier vanavond zitten ergens wrok en bitterheid in hun hart hebben. Over dat wat anderen mensen hun hebben aangedaan. Soms al heel lang geleden. Maar ze zijn het nog lang niet kwijt. En soms is het misschien net gebeurd. Misschien vandaag van de week. Iemand heeft u op uw hart getrapt iemand heeft u pijn gedaan. En sommige van u hebben misschien al heel lang pijn van wat sommige mensen u hebben aangedaan. Mensen die misbruikt zijn. Mensen die gemanipuleerd zijn, mensen die geïntimideerd zijn. Mensen die onder zwaar autoritaire ouders zijn groot gebracht. Noem het maar op. Weet u het evangelie gaat niet alleen over zonden, het gaat ook over wonden. Kent u die Ene die er olie en wijn op wil gieten? De olie is het beeld van de Heilige Geest en de wijn is het beeld van de vreugde. Kent u die Ene? Hij is de enige die het kan. Wij kunnen hoogstens bemiddelen, wij kunnen Hem hoogstens naar u toe brengen, maar Hij alleen kan het door Zijn Heiligen Geest. De troost bieden en verlichting brengen en wrok en bitterheid genezen, weet u gat Hij dat kan? Hij wil vergeving voor uw zonden brengen maar hij wil ook uw wrok en bitterheid in uw hart genezen. Hij wil uw wonden genezen. Weet u uw naaste is niet alleen maar uw buurvrouw die u hoog nodig moet gaan helpen of wie het ook mogen zijn. De naaste in ons leven is de Here Jezus zelf. Degene die ons barmhartigheid heeft bewezen. En er is ook niemand die mij en velen van ons zo na staat als Hij. Hij is de naaste, niet omdat ik wat voor Hem kan doen, dat wil ik ook graag en Hij gebruikt me daar soms voor, maar voor wat Hij voor mij deed. Ik ben niet beschaamd om uit genade te leven. Integendeel. Het evangelie betekent dat je van je sokkel moet af komen. Dat je van je voetstuk naar beneden moet komen. En dat je moet erkennen dat je net als deze man langs de kant van de weg ligt. Het evangelie gaat erover dat je met je zonden en met je wonden tevoorschijn komt. En dat hoeft niet in de openbaarheid, maar je moet het wel toestaan. Als deze half dode man gezegd had, ik wil dit niet, al ben ik ook half dood maar van deze man wil ik het niet ontvangen dan gebeurt het ook niet, Hij dwingt je niet. Hij dwingt je niet! Maar als je in zo,n situatie ben dan wil je maar al te graag. Mohammed vertelt u wat u moet doen, Boeddha vertelt u ook wat u moet doen, en er zitten een helboel mooie dingen in wat ze ons allemaal voor houden. En Zarathustra en Socrates en noem ze maar op, ze hebben allemaal dingen verteld die wij moeten doen, en doe ze vooral maar er zitten een heleboel mooie dingen in. Alleen Jezus begon niet te vertellen met wat ik allemaal moest doen, maar Hij kwam van Zijn rijdier af. En Hij heeft olie en wijn in mijn wonden gegoten. Niet alleen mijn zonden vergeven, maar mijn wonden genezen.

Wie is je naaste lieve broeder lieve zuster of iemand die broeder of zuster wil worden, wie is je naaste? Dat is de grote vraag aan het einde van dit evangelie van deze gelijkenis. Laat de Here Jezus zich ook maar over u mogen erbarmen, en ook u brengen in een herberg. Dat zeg ik tenslotte nog even in de laatste minuut tegen de mensen die denken dat ze geen kerk nodig hebben omdat je ook wel zo Christen kan zijn. Dat is merkwaardig he? Al die eeuwen is nog nooit iemand op deze merkwaardige gedachte gekomen maar vandaag kom je ze bij bosjes tegen Je kunt toch ook wel zo een Christen zijn?! Nee! De verloren zoon die wordt weer naar huis gebracht, de man die door de rovers in elkaar was geslagen word in een herberg gebracht. De Samaritaan brengt u zelf daar, de Samaritaan brengt u in een herberg. En het kan me niet veel schelen wat voor merk die herberg heeft hoor echt niet, of hij nou evangelisch is of reformatorisch of wat dan ook als het maar een herberg is, als daar maar mensen zijn die zich om je bekommeren, die verder gaan met die wonden van jou te verzorgen. En die je kunnen helpen om met het zonde probleem in het reine te komen. Mensen die je kunnen begeleiden en die je kunnen helpen. Ik wens jullie allemaal een hele fijne herberg toe. Zullen we samen bidden en danken.

Heer ik bid u voor elk mens in deze zaal die verwond is. En wonden brengen we ons zelf niet toe in het algemeen, soms wel en dat is ook heel erg maar het zijn vaak de wonden die anderen ons hebben toegebracht, en ze kunnen zoveel pijn doen. En sommigen misschien wel velen van ons hebben pijn door wat anderen hebben aangedaan. En ik bid u Here Jezus door Uw wonderbare Geest, giet olie in de wijn van Uw Geest de wijn van de vreugde op die wonden zodat ze gaan herstellen. Breng Uw barmhartigheid naar hun toe door het gepredikte woord dat levend gemaakt word door de kracht van Uw Geest, en werk aan hun harten, dat er heling mag komen, dat die wrok en die bitterheid mogen worden hersteld en genezen en verdwijnen, verschrompelen, die wonden mogen herstellen en genezen. En laten wij dan maar allemaal zulke mensen mogen worden die nu zelf in Uw dienst en in Uw navolging Here Jezus olie en wijn mogen gieten op de wonden van anderen. Als we dan maar eerst zelf bij U geweest zijn, en eerst zelf maar de hulp en de barmhartigheid van U hepen mogen aannemen. Heer ik bidt u voor hen die dat eigenlijk niet willen die dat eigenlijk te min vinden die die gedachte niet kunnen verdragen dat ze helemaal hulpeloos en afhankelijk zijn van de hulp van een ander. Heer ik bid U dat U dat aan hun harten duidelijk maakt. Dat als ze daar niet eerst aan beginnen, eerst olie en wijn van een ander te ontvangen, van De ander met een hoofdletter, dat ze dan uiteindelijk nergens zijn. Heer zo weet U wat wij allemaal nodig hebben, ieder voor onszelf, ieder met onze eigen vragen en problemen met onze noden met onze zonden en onze wonden, raak ons aan, versterk ons en vernieuw ons voor de eer en de glorie van Uw naam. Amen

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?