Hart voor Waddinxveen


(2) Lezing gehouden op 23 oktober 2009 over "De verloren zoon" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
woensdag, 25 november 2009 20:17

Wij lezen uit Lukas 15 en ik doe dat uit de Telos-vertaling. Lukas 15 vanaf vers 11. 'Hij nu zei: iemand had twee zonen en de jongste van hen zei tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit dat mij toekomt en hij verdeelde het vermogen onder hen. En na niet vele dagen pakte de jongste zoon alles bijeen en ging op reis naar een ver land en bracht daar zijn bezit door in een losbandig leven. Toen hij nu alles had verteerd kwam er een zware hongersnood in dat land en hij begon gebrek te lijden. En hij ging heen en vervoegde zich bij één van de burgers van dat land en die zond hem op zijn velden om varkens te weiden en hij begeerde zich te verzadigen met de peulenschillen die de varkens aten en niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden en ik verga hier van honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Maak mij als één van uw dagloners. En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig. De zoon nu zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Ik ben niet meer waard uw zoon te heten. De vader echter zei tot zijn slaven: Haal vlug het beste kleed tevoorschijn en trek het hem aan en doe een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten en haal het gemeste kalf, slacht het en laten wij eten en vrolijk zijn, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden; hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn. Nu was zijn oudste zoon op het veld en toen hij terugkeerde en het huis naderde hoorde hij muziek en dans en hij riep één van de knechten bij zich en vroeg wat dat kon zijn. Deze nu zei tot hem: Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond heeft teruggekregen. Hij echter werd toornig en wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader nu ging naar buiten en spoorde hem aan. Hij antwoordde echter en zei tot zijn vader: Zie zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw gebod overtreden en mij hebt u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn. Nu echter die zoon van u gekomen is, die uw vermogen met hoeren heeft opgemaakt, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht. Hij echter zei tot hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is het jouwe. Wij nu moeten vrolijk en blij zijn want deze broer van jou was dood en is levend geworden en hij was verloren en is gevonden. Tot zover lezen we uit het Woord van God.

 

De vorige maal heb ik u iets gezegd dat ik vanavond heel graag herhaal. En dat is dat wij deze gelijkenissen zo erg goed kennen, ze zijn ons vele malen verteld. U zou ze helemaal kunnen navertellen. Maar als ik u één bepaalde vraag zou stellen dan weet ik niet of u daar even vlot het antwoord op zou kunnen geven. En die vraag zou ik bij elke gelijkenis kunnen stellen en dat is deze: in welke samenhang staat die gelijkenis? Daar geeft de kinderbijbel natuurlijk nooit aandacht aan. In heel wat prediking wordt ook zo'n gelijkenis los genomen zonder te letten op het verband waarin dit opgetekend is voor ons. Terwijl juist uit de samenhang waarin dit staat ook de echte betekenis van zo'n gelijkenis duidelijk wordt. Ik lees u de eerste twee verzen van dit hoofdstuk. 'Al de tollenaars en de zondaars nu kwamen telkens naar hem toe om hem te horen. En de farizeeën en de schriftgeleerden mopperden en zeiden: Deze ontvangt zondaars en eet met hen.' En daarop volgen deze drie gelijkenissen waarvan we de derde hebben gelezen. De gelijkenis van het verloren schaap, de gelijkenis van de verloren munt en de gelijkenis van de verloren zoon. Maar dit is het uitgangspunt. De Heere Jezus heeft hier twee soorten mensen tegenover zich zitten. De tollenaars en de zondaars die precies overeenkomen met de jongste zoon in de gelijkenis. En daar tegenover de farizeeën en de schriftgeleerden die overeenkomen met de oudste zoon in de gelijkenis. Heel vaak is het zo dat wij de gelijkenis horen en erover spreken alsof dit verhaal een bekeringsverhaal zou zijn. Dat je het zou kunnen toepassen op mensen die nooit van God gehoord hebben; die het evangelie niet kennen. En dan zou ons ontgaan dat dit het verhaal is van iemand die de relatie met de Vader gekend heeft. Weliswaar niet zoals hij die later leert kennen maar het gaat hier over een mens die heel bewust de Vader de rug heeft toegekeerd. En nu kun je wel zeggen dat we dat in het paradijs allemaal hebben gedaan in onze eerste voorouders maar dat is niet de gedachte van de gelijkenis. Het gaat hier om mensen die de Vader gekend hebben en die los gelaten hebben. Het gaat hier in de eerste plaats over twee groepen joodse mensen. Elk joods mens hoort bij de Vader. De Here Jezus spreek daar vaker over. In Mattheüs 21 vindt u een treffende gelijkenis die niet zo erg bekend is van de twee zonen, net als deze. En Hij zegt tot beide zonen: Ga in mijn wijngaard. En de ene zegt: Ik wil niet; en hij gaat toch. Dat is de jongste zoon uit deze gelijkenis. En de andere zegt: ja hoor, natuurlijk, ik ga; maar hij gaat helemaal niet. Dat is de oudste zoon uit deze gelijkenis. Het is heel belangrijk om die twee samen te nemen en te begrijpen waar dit over gaat. Van elke Israëliet zegt de Here God in Deuteronium 14:1 "Jullie zijn kinderen maar letterlijk eigenlijk zonen des Heeren." Elke Israëliet is een zoon van God. Niet zoals wij dat zijn maar doordat dit het uitverkoren volk van God is. Je kunt dat ook in het enkelvoud zeggen: Uit Israël heeft God Zijn Zoon geroepen zegt Hosea 11 en Mozes zegt in Exodus 4 tot de farao: De Here zegt dit: "Laat Mijn zoon gaan". Maar ook meervoud: Jullie zijn zonen des Heeren. Maar om het overzichtelijk te maken er zijn twee soorten zonen des Heeren. En dat zijn aan de ene kant die tollenaars en hoeren en zondaars en aan de andere kant de farizeeën en schriftgeleerden. Beide behoren tot het volk van God. De ene groep heeft God nooit verlaten dat zijn die farizeeën en schriftgeleerden zoals die oudste zoon ook nooit de vader verlaten heeft maar dat moet ik nu al zeggen ook nog nooit de vader heeft leren kennen. Hij weet niets van hem. Hij heeft daar ook geen belangstelling voor. Dat is al direct aan het begin van de gelijkenis iets waarin beide groepen met elkaar overeenkomen: Ze hebben geen van beide belangstelling voor de vader. Als je later luistert naar die oudste zoon dan zegt hij: Mij hebt u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn. Het komt niet eens in zijn hoofd op wat het zou kunnen zijn om met de vader vrolijk te zijn en die jongste zoon moest daar ook langs een lange omweg achter komen wat dat is om met de vader vrolijk te zijn. Maar aan het begin van de gelijkenis heeft hij ook geen belangstelling voor de vader. Alleen hij komt daar eerlijk voor uit. Hij wil weg van de vader maar dan wel met de helft van het erfdeel maar hij wil weg. Geen van beide kennen ze de vader. Wat dat betreft zitten ze in hetzelfde schuitje. Of je nou een farizeeër of schriftgeleerde bent of dat je een tollenaar of zondaar bent. Ze hebben geen van beide belangstelling voor de vader. Maar het grote verschil is dit: deze tollenaars en zondaars met wie de Here Jezus eet, daarvan moet u bedenken: Hij eet met hen niet omdat ze tollenaars en zondaars zijn maar omdat Hij ziet dat hun hart open is voor de vader. Omdat Hij ziet dat er een verlangen is naar het koninkrijk Gods. Na die gelijkenis is Mattheüs 21 zegt de Here Jezus tegen de farizeeën en schriftgeleerden: hoeren en tollenaars gaan u voor in het koninkrijk Gods. Niet ómdat zij hoeren en tollenaars zijn maar omdat hun hart open is voor het koninkrijk Gods, omdat hun hart open is voor de Vader. Dat is het verschil. Niemand wordt gered ómdat hij een slecht mens is; je wordt gered ondanks het feit dat je een slecht mens bent. Maar een mens van wie het hart is opengegaan voor de Here God.

Het gaat hier over joodse mensen. Als ik het zou willen toepassen voor vandaag want anders zou u meteen kunnen zeggen: o nee, dat gaat ons niet aan, wij zijn geen joodse mensen. Als ik het zou toepassen op vandaag dan denk ik helemaal niet aan de arme heidenen ver weg die nog nooit het evangelie hebben gehoord. Dan denk ik aan wat nú het volk van God is. Israël is dat ook maar dat komt later pas verder tot uitdrukking als God verder is in Zijn wegen met dat volk maar nu is de christenheid het volk van God. De kerk in de brede zin van het woord. En daarin zijn boetvaardige tollenaars en hoeren en zondaars en daarin zijn farizeeën en schriftgeleerden. Luister, die tollenaars komen niet in aanmerking omdat ze een tollenaar zijn en die farizeeën zijn niet slecht omdat ze farizeeër zijn. Er zijn ook goede farizeeërs. Nicodemus was er zo één; Saulus van Tarsus was er uiteindelijk ook zo één en er zijn er meer. Alleen de moeilijkheid is met farizeeën en schriftgeleerden, is dat hun geleerdheid hen danig in de weg zit. En vooral, ze hebben het zo verschrikkelijk goed met zichzelf getroffen. En ze kijken met zoveel verachting neer op tollenaars en zondaars en ze kunnen niet begrijpen dat Jezus in plaats van met hen om te gaan met dit soort mensen omgaat.

De farizeeën en de schriftgeleerden, als je het wilt toepassen voor vandaag, dat is de godsdienstige mens. Nou kun je zeggen: wij zijn allemaal godsdienstig maar als ik zeg godsdienstige mens dan bedoel ik dat is de mens die net als deze mensen uitwendig vroom leeft. Die twee keer per zondag naar de kerk gaat, die trouw zijn kerkelijke belasting betaalt, die bidt voor en na zijn eten en die trouw uit de Bijbel leest en voor de rest zit er niets in. Er is geen werkelijke liefde voor de Vader. In zekere zin weten ze daar ook niets van. Sommige weten het wel maar een heleboel anderen weten ook niet dat er nog meer is dan dat. Ze denken: dat is het christelijk leven. Ze zijn ingepakt in een wikkel van godsdienstigheid. Maar ze leven zo fatsoenlijk en keurig, dat moet je ook toegeven dat is ook zo, dat ze met grote verachting neerkijken op andere mensen die niet zo zijn als zij: hoeren, tollenaars en zondaars. Ze lijken op die farizeeër (ik weet niet of die op ons lijstje staat, misschien wel) die we verderop tegenkomen in het Lukasevangelie. Die farizeeër die zegt: Here God, want ben ik toch dankbaar dat ik geen tollenaar, geen zondaar en geen hoer ben. Ik heb het toch wel erg goed getroffen en bovenal U hebt het met mij zo goed getroffen. Ziet u het beeld voor zich? Die tollenaars en zondaars met wie de Here Jezus eet, die zitten daar en die horen wat Hij zegt en die begrijpen de boodschap héél goed. Zolang zij in het verre land blijven is er voor hen net zo weinig hoop als voor die farizeeën en schriftgeleerden. Wat dat betreft zitten ze in hetzelfde schuitje, zei ik al. En aan de andere kant zitten daar die farizeeën en schriftgeleerden die zich erover ergeren dat de Here Jezus met dit soort mensen omgang heeft. En die mensen hebben heel goed begrepen over wie Hij het had, vooral bij die derde gelijkenis.

Er zijn natuurlijk frappante, dat moet ik toch even zeggen, een paar frappante overeenkomsten tussen die drie gelijkenissen. Eerst gaat het over één tegenover negenennegentig, dan om één tegenover de negen en dan om één tegenover die ander. In alle drie gaat het om dingen of mensen die verloren zijn. Dat is de grote grondgedachte. Eén schaap ging verloren,u vindt die woorden daar ook terug, en werd gevonden. Eén penning raakte verloren en werd gevonden. En de vader zegt het tweemaal van de verloren zoon: deze jongen was verloren en is gevonden. Iets wat verloren is, is niet waardeloos. In tegendeel. De herder doet zijn uiterste best om dat ene verloren schaap terug te vinden. Die vrouw die de penning kwijt is, doet haar uiterste best om die penning terug te vinden. Verloren ja, maar niet waardeloos. In tegendeel. Zo waardevol dat de herder de negenennegentig in de steek laat en dat de vrouw de negen even terzijde legt want het gaat haar om die ene. Er is ook een enorm verschil tussen de eerste twee gelijkenissen en die derde van de verloren zoon. In de eerste twee is er iemand die op zoek gaat. Verloren ja, dat geldt voor alle drie gelijkenissen. Maar in de eerste twee is er daar die herder en die vrouw en die gaan op zoek. En in de derde gelijkenis niet. De vader loopt niet achter die jongen aan te bedelen: kom toch terug, kom toch terug. Hij staat wel op de uitkijk. Maar dat schaap kan niet alleen de weg terug vinden. Die penning kan ook niet de weg terug vinden naar die vrouw, dat spreekt vanzelf. Maar die verloren zoon die wordt gevonden, niet door de vader die hem zoekt, maar doordat die jongen tot zichzelf komt. En nu hij tot zichzelf gekomen is, is hij zover dat hij ook de weg naar de vader kan terugvinden. Maar hij moet die weg gaan, dat zo nog wel aan de orde. Er zijn nog meer overeenkomsten: bij alle drie gaat het over een huis. Het schaap wordt weer thuisgebracht, de penning komt weer in huis en in huis is die geweldige vreugde over die herder die zijn schaap terug heeft en over die vrouw die haar penning terug heeft en de verloren zoon komt in een huis. We hebben het evangelie zo individualistisch gemaakt, alsof het gaat om uw en mijn persoonlijk heil. Dat is heel sterk in het protestantisme. Dat komt omdat we als protestanten ontstaan zijn in de tijd van de Renaissance, waar het individuele van de mens zo sterk benadrukt is: het gaat om mijn zielenheil, het gaat om de vraag of ik naar de hemel ga. Dat is helemaal wat het eerst aan de orde is. Daarom is dat huis zo belangrijk: die verloren zoon wordt in een huis gebracht. En die oudste zoon hoort wat er in dat huis gebeurt, het huis is vol muziek en dans en in dat huis zijn ook knechten van die vader, zoals er vandaag in Gods huis dienstknechten van Hem zijn. Om arme verloren zondaren ... dat doet de Vader niet, dat doet hij door middel van Zijn dienstknechten. Om ze schoenen aan hun voeten te doen en ze een ring om te doen en ze het beste kleed aan te trekken en het gemeste kalf voor ze te slachten. Dat is het mooie als je een dienstknecht mag zijn in het Huis van God.

De laatste overeenkomst die ik noem bij allemaal: blijdschap. Een huis dat trilt van muziek en dans. Eén en al vreugde. En dat is misschien wel het vreselijkste van alles in dit hele verhaal. Dat die oudste zoon in zo'n huis niet naar binnen wil. Hij blijft liever buiten in het veld, waar hij narrig rondloopt, bitter, kwaad op zijn vader. Er staat: hij werd zeer toornig. Kwaad op zijn broer, die leegloper, die nu gefêteerd wordt. Een groot feest wordt voor hem aangericht. En hij loopt buiten bitter rond.

Wel, laten we eens gaan kijken hoe het begint: twee zonen, allebei bij de vader, allebei een relatie tot de vader. En allebei raakt hij kwijt. Die ene is hij allang kwijt, dat is die oudste zoon. En of hij ooit gevonden gaat worden is een open vraag. De gelijkenis eindigt op een heel merkwaardige manier. Je moet je voorstellen: de Here Jezus vertelt die gelijkenis en die eindigt als het ware met een vraagteken. En je kunt je in gedachten voorstellen hoe hij kijkt naar die Farizeeën en schriftgeleerden. Alsof Hij zeggen wil: wat is nu jullie antwoord op die vraag van die vader? En elke Farizeeër en Schriftgeleerde hier in de zaal, maar ook elk farizeeërtje dat in ons eigen hart zit, mag vanavond antwoord geven op de vraag, die open vraag waarmee deze gelijkenis eindigt. En daar zit ook de vraag aan vast: wil jij ook gevonden worden? Weet u? het is veel makkelijker om mensen in de goot te bekeren als je het even zo menselijk bekijkt, dan godsdienstige mensen. Want ze zijn al zo goed, ze hebben al zoveel. Waarvoor zouden die zich moeten bekeren? Dat is de open vraag ... En wij als christenen, wij hebben allemaal die Farizeeër in ons, maar ook allemaal een beetje die verloren zoon, die weggaat van de vader. Het gaat over ons. Laten we het maar heel dichtbij houden. Dit gaat niet over de zondaren die nooit het evangelie gehoord hebben. Dit gaat over u en mij. Vader, geef mij het bezit dat mij toekomt, daar heb ik recht op. Maar de vader geeft het, hij discussieert niet. De vader weet: ik kan deze jongen niet tegenhouden. Ik moet hem laten gaan. Ik zei het al: hij gaat ook niet achter die jongen aan. Als die jongen aan het feestvieren is, en het zal wel waar wezen wat die oudste zoon zei: hij heeft het met hoeren opgemaakt, dan staat die vader niet buiten met tranen in zijn ogen: jongen kom nu alsjeblieft. De jongen zou hem finaal uitgelachen hebben of kwaad geworden zijn: pa, wat doe je hier? En zelfs als die jongen bij de varkens zit, loopt vader niet huilend om hem heen te draaien: jongen kom toch! En toch heeft vader hem al die tijd in het oog. Dat is één van die merkwaardige dingen: die jongen gaat naar een ver land en dan staat er als hij terugkomt "toen hij nog veraf was, zag hem zijn vader". In de geestelijke zin zou ik zeggen: die vader had hem altijd al gezien daar in dat verre land. Hij zag hoe hij met zijn vrienden aan het feestvieren was. Hij zag hem ook zitten bij de varkens, maar hij deed niets, want hij wist: deze jongen kan ik nooit bereiken als hij niet eerst tot zichzelf komt. En die vader wist ook: die jongen zal pas tot zichzelf komen als hij alles kwijt is. Dat is hard voor een vaderhart, die tegen zijn kind zou willen zeggen: alsjeblieft kom toch terug. Maar hij moet het kind loslaten. Hij weet: het kind moet eerst tot zijn eind komen. Zolang het kind nog geld heeft, nog vermogen heeft waar het op terug kan vallen. Zolang het nog denkt: ik kan mijn eigen kostje wel verdienen, desnoods bij die onreine varkens. Geen mens komt ooit tot God indien het niet eerst tot zichzelf gekomen is. Dat is zo ontzettend belangrijk. Weet je dat dat heel moeilijk is? Vaak heel moeilijk voor mensen die opgegroeid zijn in christelijke gezinnen. Die altijd braaf meegegaan zijn en altijd in de pas gelopen hebben. Trouw de kerkdiensten bezocht hebben. Och, misschien enige moeilijkheden vertoont hebben in de puberteit. Zelfs dat misschien niet eens: ze liepen altijd in de pas. En op een gegeven moment is het zover, dan ga je belijdenis doen of in een evangelische gemeente laat je je dopen. Je wordt lid van zo'n gemeenschap en het kabbelt zo voort. En als je met zulke mensen praat, denk je bij jezelf: zijn ze eigenlijk ooit wel een keer verloren geweest? Dat is het probleem met die oudste zoon: hij is nooit verloren geweest. 99 schaapjes zegt de Here Jezus. Weet je wat dat betekent? Dat zijn 99 rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben, in vers 7. Dat is natuurlijk sarcastisch bedoeld, want zulke mensen bestaan helemaal niet. Er zijn geen rechtvaardigen die bekering niet nodig hebben. Hij keek naar die Farizeeën en schriftgeleerden. Hij zei: het hart van de Vader gaat niet uit naar jullie, maar het hart gaat uit naar dat verloren schaap. En mijn hart gaat uit naar die tollenaren en die hoeren en die zondaars. Want jullie hebben geen bekering nodig. Maar ik ben gekomen om deze mensen die aan de rand van de poel van ellende zitten aan het hart van de Vader gebracht worden. En in zekere zin waren ze rechtvaardig. Het waren keurige, brave, oppassende mensen. Maar of je nu katholiek of reformatorisch of evangelisch bent: onze gemeenten zitten vol met dat soort mensen die nog nooit een vlieg kwaad hebben gedaan. Natuurlijk, ze hebben zich ooit bekeerd. Maar zijn ze ooit tot zichzelf gekomen? Laat ik het eens heel scherp zo zeggen: ja het is vast wel zo dat ze ooit tot God gekomen zijn, dat laten we maar even met rust, maar je vraagt je af: zijn ze ooit wel tot zichzelf gekomen? Hebben ze ooit wel eens één traantje over hun zonden gelaten? Zijn ze ooit wel eens echt verslagen geweest? Je hebt van die mensen van de gelijkenis van de zaaier. Die terstond het woord met vreugde aannemen. Daar zit de Heer niet op te wachten, op dat soort mensen: als er iets gebeurt zijn ze alweer van slag. Ze hebben geen diepgang: het verwaait zo weer. Dat is het probleem met die oudste zoon: hij is niet verloren. Maar als je niet verloren bent, kun je niet gevonden worden. Die jongen moet alles kwijtraken en de Vader wacht. En die vader ziet hem al die tijd, maar hij komt niet. Pas als die jongen tot zichzelf gekomen is, dan komt hij ook terug naar de vader. Dan zit hij daar bij die onreine varkens. Daar moeten de Farizeeën wel van gegruwd hebben: onreine dieren. Het feit alleen al dat die in dat land zijn, kun je nagaan wat een onrein land dat is. En dat die jongen zo diep zinkt, dat hij varkens moet hoeden en dat hij zou willen eten wat die varkens te eten kregen. Wat een gruwel. Alles gaat hier in tegen het joods gemoed. Varkens hoeden en dan ook nog eten wat die varkens te eten krijgen? En dat ook nog niet eens te eten krijgen en met een hongerige maag daar zitten. En aan het eind van de dag of van de week maar afwachten of je genoeg verdiend hebt om jezelf in leven te houden. En dan dat prachtige woord: dat is nog niet de bekering. Dat is een aardige vraag. Als u nu studenten was, zou ik vragen: wat was nu het moment waarop de verloren zoon tot bekering kwam? Sommigen zouden zeggen: toen hij tot zichzelf kwam. Ja, maar er zijn heel wat mensen die dat wel bereiken, die wel tot zichzelf komen, maar daar blijft het bij. Anderen zouden zeggen: toen hij in de armen van vader was. Dat kan ik me wel voorstellen. Heel veel mensen zeggen: op die en die datum, op dat en dat uur ben ik bekeerd. Wat ze bedoelen is: toen kreeg ik geloofszekerheid, toen kreeg ik vrede met God. Toen wist ik dat ik er ook bij mag horen. Maar dat was niet hun bekering. De bekering zoals ik het zie van deze jongeman is het moment dat hij opstaat. Er zijn zoveel mensen die zeggen: ik zal opstaan en naar mijn Vader gaan. En ze stellen het uit en ze stellen het uit en ze blijven zitten. En ik zeg nog eens: de vader trekt niet aan hem hoor. Als de uitverkiezing hoog in uw vaandel staat, moet u dat nu even vergeten, want het is niet de vader die trekt. De vader wacht. Ik weet: daar hebt u ander Bijbelgedeelten voor, maar die komen vanavond niet aan bod. De vader is passief. Hij wacht. Hij loopt hem niet na. Weet u wanneer die vader in actie komt? Als die jongen eraan komt. Dat is de enige keer dat God haast heeft in de bijbel. Zij die geloven haasten niet en God haast zich al helemaal niet. Zijn molens malen langzaam, maar dit is de enige keer in de bijbel dat God haast heeft. Er staat: hij liep snel naar de jongen toe. Dat is Gods tijd: als de jongen terugkomt.

Wat is het dat deze jongen in beweging brengt? Dat is ook ontzettend belangrijk. Wat is het dat de jongen ertoe brengt dat hij überhaupt aan het huis van de vader denkt en opstaat om naar vader te gaan? Waarom trekt dat huis van de vader hem aan? Dat is niet alleen maar omdat zijn geweten spreekt, dat ook. Hij neemt zich voor om tegen zijn vader te zeggen: ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maak me als één van uw dagloners. Dat is zijn ontwaakt geweten: hij weet ik sta schuldig tegenover de vader. Ik had recht op dat geld, maar wat heb ik ermee gedaan? Maar vooral: ik heb mijn vader in de steek gelaten, ik heb mijn vader verachtelijk de rug toegekeerd. Ik wou niet meer bij hem zijn, ik sta schuldig. Ik sta zo schuldig dat ik geen recht meer heb op de naam 'zoon'. Maar er is nog iets anders en dat wordt als eerst genoemd en dat vergeten we makkelijk. Want ons evangelie is vaak beperkt tot het zondeprobleem en de oplossing daarvan, dus dat element spreekt ons aan. Maar er is een ander element dat wij vaak vergeten. Hij zegt: hoeveel dagloners van mijn vader hebben een overvloed aan broden en ik verga hier van honger. Je zou zelfs kunnen denken dat dat een zelfzuchtig argument was. De eerste reden om naar huis te gaan is dat hij tenminste weer te eten krijgt. Ja, zo zou je het kunnen bekijken. Je kunt het ook een stuk positiever bekijken. Hij wordt niet alleen aangetrokken en door zijn slecht geweten in beweging gebracht. Hij wordt ook in beweging gebracht, doordat hij zich herinnert: het was thuis goed, het was daar licht. Mijn vader hield toch van mij? En er was altijd overvloed. Er was licht, er was liefde, er was warmte, er was overvloed. Het was goed bij de vader. En weet u dat dat net zo'n geldig argument is om terug te gaan naar de Vader? Niet alleen zondebelijdenis, maar terugdenken aan de liefde van de Vader. Hij wordt door allebei de dingen aangetrokken. Hij wordt aangetrokken door het besef van zijn geweldige vader. Hij is niet meer waard een zoon van die vader te heten, maar hij wordt ook aangetrokken door het vaderhart en door de liefde van de vader. En dat brengt hem in beweging, dit is zijn bekering. En hij stond op en ging naar zijn vader.

En ik zei het u al: toen hij nog veraf was ... in zekere zin heeft de vader hem nooit uit het oog verloren. Toen rende zijn vader op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig. Het bijzondere is: die jongen had daar niet op gerekend. Want denk erom: toen hij nog thuis bij de vader was, kende hij de vader niet. Maar als je weggaat van de vader is dat geen goede manier om het hart van de vader te leren kennen. Toen hij zich voornam om te zeggen: ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maak mij tot één van uw dagloners, had hij het gevoel dat zijn vader hem wel zou willen aannemen. Anders had hij dat risico niet gelopen. Maar hij kon niet verder denken dan dat de vader van hem een slaaf zou willen maken. En hij dacht: dan heb ik tenminste weer die plek van licht en liefde en warmte en overvloed, eten en drinken. Hij was niet voorbereid op de liefde van de vader. En dat treft mij zo bij die beide zonen, dat ze geen van beide de liefde van de vader. Ze kennen geen van beide de vader. Moet je eens voorstellen: die vader rent naar hem toe en slaat zijn armen om hem heen. Wij zouden zeggen: hoho, eerst even horen wat je hebt te vertellen jongen, kom eerst maar met je zondebelijdenis. Er staat toch in de bijbel: God vergeeft ons onze zonden als we onze zonden belijden? Nou, kom maar op, wat heb je te vertellen? Maar die vader is zo blij dat die jongen terug is, dat hij de armen om hem heenslaat. Die jongen krijgt nog niet uit zijn keel: ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Maar let erop hè, dat laatste woord: maak mij tot één van uw dagloners. Dat krijgt hij niet meer over zijn lippen. Waarom niet? Als je weet dat die armen van de vader om je heen zijn, waarvan je weet dat die armen nooit één van de slaven omhelzen, als je zo aan het hart van de vader gedrukt wordt, dan kun je nog wel zeggen dat je gezondigd hebt. Je kunt ook zeggen dat je het niet meer waard bent om zijn zoon te heten, maar op hetzelfde moment wordt je als zoon aangenomen. Geen woord meer over dagloners. En die vader gaat dat onderstrepen, want alle dingen die hij nu opnoemt, onderstrepen dat hij geen slaaf is, maar zoon. Denk erom: we horen nog wel eens van die mensen die heel vroom ook zeggen dat ze al blij zouden zijn als ze in de hemel een plekje achteraf mochten krijgen. Zoals ik iemand een keer hoorde zeggen: als ik maar aardappels mocht schillen in de keuken was ik al tevreden. Dat wil zeggen: die mensen praten als deze verloren zoon. Ze willen een slaaf worden, een dienstknechtje. Maar ze denken aan de hemel: die is prachtig, die is mooi. Daar zal het geweldig zijn: daar wil ik zijn. Liefde, warmte, overvloed. Het is voor mij al genoeg als ik daar ben als een knechtje achteraf in een hoekje. Waarom praten ze zo? Omdat ze zich bewust zijn van hun zondigheid en de barmhartigheid van God. Maar ze kennen die barmhartigheid nog maar een heel klein beetje. Want Vader wil ze helemaal niet als slaven aannemen Hij wil ze aannemen als zonen daarom krijgen ze het beste kleed, het erekleed dat geen slaaf ooit zal dragen. Ze krijgen een ring aan de vinger, de ring van de waardigheid waarmee de Vader ze bekleed. Ze krijgen sandalen aan de voeten terwijl die slaven in dat huis blootsvoets lopen, dat hoort bij hun positie. Maar dit is een zoon! En geen knecht. Natuurlijk er zijn ook plaatsen die zeggen dat wij slaven van God geworden zijn. Je vind die beelden allemaal op vele manieren, maar je moet het niet allemaal door elkaar gaan gooien. Hier gaat het erom dat we geen slaven maar zonen zijn geworden. Wij hebben niet langer de geest van slavernij zegt Rom 8 maar de geest van het zoonsschap. Hoeveel Christenen blijven bij dat woord maak mij tot een van uw dagloners en ze hebben nog nooit hun positie van zonen ingenomen. Dat is een ontzettend belangrijk iets. Ik hoorde pas van de week iemand zeggen als je wedergeboren bent dan ben je een kind van God, als je vervuld bent van de Heilige Geest dan ben je een zoon van God Rom 8:14 zovelen dan door de Geest geleid worden, die zijn zonen van God, niet kinderen maar zonen van God. Deze jongen wordt een zoon en hij word bekleed met alle waardigheid die daarbij hoort. En zij begonnen vrolijk te zijn, en dat is zo mooi he, want dat betekend dat houd nooit meer op. Dat begint hier op aarde al en dat gaat door tot in alle eeuwigheid. En nogmaals die jongen beleefd in het huis van de Vader een vrolijkheid die die vroeger nooit gekend had. Hij is er veel beter aan toe dan vroeger. Want vroeger kende hij de Vader niet. In principe had die vader diezelfde vreugde en vrolijkheid en warmte en liefde voor die zoon allemaal ter beschikking, maar die jongen stond er niet voor open. Hij had er geen belangstelling voor. Hij dacht alleen maar aan zichzelf en wat hij voor zichzelf zou willen hebben. Nu pas leert hij het hart van de Vader kennen. En zij begonnen vrolijk te zijn, en die Vader zegt precies waar het op staat. Deze zoon van mij was dood en hij is weer levend geworden. Maar die jongen was zeer levendig daar in die zonde wereld, maar voor God was hij dood. Hij is levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. Is dat niet mooi? Ik heb al gezegd die Vader gaat helemaal niet naar hem op zoek. Hij is geen penning hij is geen schaap. Hij is een mens, een mens wordt gevonden door God als hij tot berouw komt en op staat om naar Zijn Vader te gaan. Natuurlijk er zijn andere gedeelten van de schrift waar de mens volkomen passief is, dood in misdaden en zonden, en dan gaat God naar hem toe, dat is ook waar. Je moet niet het een tegen het ander uit spelen, alleen daar hebben we het vanavond niet over. Vanavond hebben we het er over dat deze jongen gevonden word doordat hij terugkeert naar de Vader. Doordat hij de Vader op zoekt. En zich voorneemt om te zeggen wat hij te zeggen heeft. Hij was verloren in is gevonden.

Ik probeer een beetje in te denken hoe die oudste zoon zich gevoeld moet hebben. Die oudste zoon had niets met de Vader had ik u al verteld. Hij heeft gezegd, mij heeft u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn. De enige vrolijkheid die deze jongen zich voor kon stellen dat was niet met de vader. Het loutere feit dat hij in het huis van de Vader mocht wonen, waar die altijd geweest was, want hij was nooit weg gelopen. Dat was helemaal geen reden voor hem tot vrolijkheid. Vrolijkheid, ja met zijn vrienden, buiten de Vader om. Hij heeft niks met de Vader. Hij zegt zelfs ik heb U altijd gediend, en dan moet je weten dat dat Griekse woord letterlijk betekend, het staat hier letterlijk in de voetnood, als slaaf dienen. Ziet u dit frappante, de jongste zoon zegt laat me een slaaf van U worden, maar de Vader zegt, geen sprake van, die oudste zoon zegt, ik heb U altijd als slaaf gediend. Dat is het probleem met godsdienstige mensen, ze doen altijd hun best. Zodat je kunt neerkijken op anderen die niet zo godsdienstig zijn. En je hebt altijd het gevoel, dat hoort bij dit soort mensen dat God wel bijzonder tevreden moet zijn, maar nogmaals we krijgen dat later bij die farizeeën die zegt Here God U moet wel heel tevreden over me zijn. Ik vast twee keer per week, ik geef tienden van al wat ik heb, en ja ik ben eigenlijk een bovenste beste kerel. Ik ben tenminste niet zo als die tollenaar die daar staat. Dat gevoel, maar ze dienen God als slaven maar ze kennen Z, n hart niet. Ze weten niks van de Vader, ze kennen alleen maar in termen van dienstbaarheid denken. Dit moeten ze doen en dat moeten ze doen, want dat hoort bij hun opvatting over wat godsdienst is. Ze weten wel dat de mens niet gerechtvaardigd word uit werken alleen maar, het schijnt ze niet veel te doen want ze doen niks anders dan presteren. Godsdienstig presteren. Om daar mee neer te kijken op anderen die niet presteren. Integendeel die daar bij de varkens zitten of bij de hoeren of wat dan ook. Ik heb U altijd als slaaf gediend. Hier spreekt hij met de knecht. Hij hoort dat dat huis vol is v an muziek en dans. Nou dan kan je zo ie zo al zien dat dat daar niet deugd he, muziek en dans in dat huis. En hij vraagt aan de knechten wat is dat toch, en die zegt uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht. Omdat Hij hem gezond heeft terug gekregen. En dan word hij heel boos en hij wil niet naar binnen gaan. En dan komt de Vader naar buiten. Weet u, twee keer trekt die Vader erop uit in dit verhaal. Eerst om die jongste zoon in Z, n armen te sluiten. En dat gaat Hij naar buiten om Zijn oudste zoon op te zoeken. Want u moet goed begrijpen, Vader heeft ze allebei lief. Je moet goed begrijpen dat deze Vader van Zijn oudste zoon net zoveel houd als van Zijn jongste zoon. U moet goed begrijpen dat er voor die oudste zoon net zoveel genade beschikbaar is als voor de jongste zoon. De Vader heeft geen lievelingetjes. Met allebei is Hij evenzeer begaan. Zijn hart gaat naar allebei uit. Want het maakt voor Hem niet uit of je nou bij de varkens zit of bij de hoeren of dat je twee keer in de kerk zit. Hij wil een relatie met je hebben van een Vader naar een zoon toe. Zoveel christenen durven niet eens te bidden tot de Vader. Ze vinden het veiliger om te bidden tot de Heere! Adonai, Jahwe van het oude testament. Of ze denken dat het oneerbiedig is om te bidden tot de Vader. En in zekere zin is dat ook zo want ze hebben niks met Vader. Ze kennen Hem ook niet als Vader. En je hoort ze het ook nooit zeggen in hun gebeden. Maar Vader houdt net zoveel van hen als van die verloren zonen. Kind zegt Hij, Kind jij bent altijd bij Mij en al het Mijne is het jouwe. Waarom kun je je niet verblijden over een tollenaar of een zondaar die zich bekeert? Eerder in deze twee gelijkenissen staat dat er gejuich in de hemel is, gejuich en gejubel als er een zondaar tot geloof komt. Over die 99 rechtvaardigen komt de hemel nooit in beweging. Als u daar bij hoort, het spijt me voor u. Er is geen vreugde in de hemel over die 99. De hemel blijft er onbewogen onder. Er is geen vreugde over die negen penningen, en er is geen vreugde over die oudste zoon. Maar de oudste zoon is wel uitgenodigd voor de vreugde. Want als die oudste zoon komt, zal er in de hemel net zoveel vreugde zijn als over de jongste zoon. Want God heeft geen lievelingetjes. Er is voor allebei evenveel genade. De oudste zoon is boos, zie je hoeveel jaren dien ik u als slaaf en nooit heb ik een gebod overtreden, wat is dat toch heerlijk als een mens dat kan zeggen niet waar? Zijn er zulke mensen hier vanavond? Die kunnen zeggen ik ben een braaf oppassend persoon. Ik geef ieder het zijne, ik doe geen vlieg kwaad, als ik die tien geboden zondags hoor dan kan ik elke keer weer zeggen, dat heb je er weer goed vanaf gebracht. U denkt misschien dat zulke mensen niet bestaan? Dat is niet waar. Saulus van tarzen zo heette hij toen nog. Die kon zeggen over de tijd voor zijn bekering, dat hij dat wat de gerechtigheid die in de wet is betrof onberispelijk was. Ze zijn er. Dat zegt Paulus. Lees het maar na in Filepensen 3. Onberispelijk. Deze man kan zeggen ik heb nog nooit een gebod van U overtreden. En als je het aan Paulus gevraagd had dan had hij hetzelfde gezegd. En hij zegt het zelfs na z,n bekering. Hij was een oppassend mens. Hij had het verder gebracht in ijver voor God dan wie dan ook. Hij had het verder gebracht in toewijding aan de overlevering van de Vader. Lees maar in Galaten 1 over zijn hele verhaal. Hij had nooit één gebod overtreden. En hij wist niks van God. Hij kende het hart van de Vader niet .Hij kon zich niet verheugen over al die mensen christenen die Jezus volgden. Hij kon er niks mee. Wat die nodig had was een bliksemschicht uit de hemel. Voor sommigen moet God zoveel in beweging zetten om ze de ogen te openen. De jongste zoon niet, het enige wat die jongen nodig had was een hongerige maag. En toen hij daar bij de varkens lag met zijn versleten kleren, die anderen had hij allemaal naar de lommerd gebracht, alleen maar een lege maag dat is genoeg. Maar voor mensen als Saulus van Tharzes moet er een fel licht uit de hemel stralen om ze op de grond te werpen en ze moeten blind gemaakt worden. God heeft de handen vol aan godsdienstige mensen. Daarom zei ik straks iemand die in de goot ligt is heel wat makkelijker te bekeren, menselijk gesproken dan hé want voor God is het hetzelfde. Maar de hemel moet in beweging komen om zo, n oudste zoon als deze jongen binnen in huis te krijgen. En als hij binnen in huis zit dan weet je nog niet of je er blij mee moet zijn. Hij staat er met een narrig gezicht toe te kijken terwijl de anderen allemaal dansen en uitgelaten zijn. Terwijl er muziek gemaakt word. Eigenlijk wil je er zo eentje helemaal niet bij hebben. Tenzij dat hij ook tot zichzelf komt. Dat is het enige wat er hoeft t te gebeuren dat hij tot zichzelf kom. Dat vind ik zo mooi bij Saulus van Tharzes. Waarom stuurde God Annenias naar Saulus? Ja, omdat hij een uitverkoren werktuig was. Ja, dat zegt God ook tegen Annenias, dat is waar. Maar er is nog wat anders. Annenias ga naar hem toe staan in Handelingen 9 want zie hij bidt. Zo mooi! Als het in de taal van deze gelijkenis gezegd zou kunnen worden dan zou je kunnen zeggen, hij is tot zichzelf gekomen. Je kunt wel nagaan wat hij gebeden heeft, totaal verslagen. Als je naar Saulus van Tharzen had kunnen luisteren dan had hij misschien wel zoiets gezegd. Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Ik dacht dat ik zo, n goede jongen was, maar ik ben de grootse ellendeling, hij zegt dat later ik ben de grootste zondaren ik heb de gemeente Gods vervolgd.Nu zijn me de ogen open gegaan maar wat is het verschrikkelijk met mij gesteld. En de Vader stuurt Annenias, de Here Jezus stuurt Annenias en zegt hij bidt, leg hem de handen op. Zodat het licht voor hem gaat open breken. Het is een open einde. De Here Jezus kijkt de Farizeeën en Schriftgeleerden aan. Kind het is ook voor jou! Jij mag ook komen. Het enige wat je hoef te doen is dat harde hoogmoedige hooghartige hart van jou eens zachter laten worden, niet alleen naar je broer toe maar naar je Vader toe. Want je kent Me niet. En je heb net zo weinig belangstelling voor om Mij te leren kennen als jouw jongste broer al die jaren gehad heeft. Dat is het grote verschil. Hij is gevonden en jij bent nog steeds zoek.

Het is een open einde. Je mag zelf ook in vullen wat u wilt invullen. U weet het allemaal, wij zeggen het vaak, wie is nou eigenlijk de verloren zoon? De oudste of de jongste. En het antwoord luid allebei! Alleen de één word gevonden, maar dan moet je je wel laten vinden. En de Vader heeft lang moeten wachten tot die jongste zoon zich wilde late vinden. Nu de oudste zoon nog, want de Vader houdt net zoveel van hem. Die oudste is ook dood, hij kan ook levend worden. Die oudste is ook verloren, maar hij kan ook gevonden worden. Maar als een mens tot zichzelf komt, komt hij ook tot God. Niet altijd maar als dat maar bereikt is. Als een mens maar in z, n eigen hart kan blikken. En dan nog de herinnering heeft, bij Vader was het goed. Daar wil ik heen. Ik wens het u van harte toe. Of uw toestand nou meer op de jongste of op de oudste lijkt, wat maakt dat uit. Het is dezelfde Vader, het is dezelfde liefde het is dezelfde uitnodiging. Kom bij de Vader. God zegene Zijn Woord.

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?