Hart voor Waddinxveen


(3) Lezing gehouden op 27 november 2009 over "De onrechtvaardige rentmeester" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
donderdag, 14 januari 2010 20:26

Je zou bijna kunnen zeggen we gaan verder waar we gebleven zijn want de vorige keer eindigden we met het slot van hoofdstuk 15 en we gaan nu onmiddellijk verder in hoofdstuk 16 van het Lukasevangelie. Wij lezen Lukas 16 vanaf vers 1: "Jezus zei ook tot Zijn discipelen: Er was een rijk man die een rentmeester had. Van deze werd Hem aangebracht dat hij Zijn bezit verkwistte. En Hij liet hem roepen en zei tot hem: Wat hoor ik daar van u? Doe verantwoording van uw beheer want gij kunt niet langer rentmeester blijven. De rentmeester zei bij zichzelf: Wat moet ik doen want mijn heer ontneemt mij mijn rentmeesterschap. Spitten kan ik niet, voor bedelen schaam ik mij. Ik weet wat ik doen zal opdat zij mij wanneer ik uit mijn rentmeesterschap ontzet ben, in huis zullen nemen. En hij ontbood de schuldenaars van zijn heer één voor één bij zich en zei tot de eerste: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig? Hij zei: Honderd vaten olie. Hij zei tot hem: Hier hebt gij uw schuldbekentenis. Ga vlug zitten en schrijf vijftig. Daarna zei hij tot de tweede: En hoeveel zijt gij schuldig? Hij zei: Honderd zakken tarwe en hij zei tot hem: Hier hebt gij uw schuldbekentenis. Schrijf tachtig. En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester dat hij met overleg gehandeld had. Want de kinderen van deze wereld gaan ten aanzien van hun geslacht met veel meer overleg te werk dan de kinderen des lichts. En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon opdat wanneer deze u ontvalt , men u opneme in de eeuwige tente. Wie in zeer weinig getrouw is, is ook in veel getrouw. En wie in zeer weinig onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig. Indien gij dus niet trouw zijt geweest ten aanzien van de onrechtvaardige Mammon, wie zal u dan het ware goed toevertrouwen? En indien gij niet getrouw zijt geweest ten aanzien van het goed van een ander, wie zal u het onze geven? Geen slaaf kan twee heren dienen want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben of zich aan de ene hechten en de andere minachten. Gij kunt niet God dienen en Mammon. Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren en zij hoonden Hem. En Hij zei tot hen: Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God." Tot zover lezen we uit het Woord van God.

Het is waar wat onze broeder zojuist gezegd heeft. Het is altijd goed om te zien tegenover wie de Here Jezus deze woorden uitspreekt. En dat blijkt hier pas aan het einde. Je kunt ook zeggen: Hoofdstuk 16 is het rechtstreekse vervolg van het voorgaande. Hij is nog steeds in gesprek met de Farizeeën en Schriftgeleerden maar in vers 14 blijkt dat ook duidelijk. "Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren en zij hoonden Hem." Zij spotten met wat Hij zei omdat ze blijkbaar in hun geweten waren geraakt. En het is goed om dat steeds te bedenken. Maar afgezien van dit publiek, levert de gelijkenis nog wel meer moeilijkheden op. Die zijn net al even aangestipt. Want voor ons gevoel zitten er een heleboel eigenaardige kanten aan deze gelijkenis. En dat zit hem vooral in het feit dat zijn eigen heer, die rentmeester prijst als hij, zo lijkt het toch, zijn heer ernstig benadeeld heeft.

Laten we in het kort even kijken hoe het verhaal in elkaar zit. Er is een rijk man en rijke mensen kunnen niet al hun geld goed overzien en er goed mee omgaan en daarvoor heb je rentmeesters. Een rentmeester is iemand die jouw geld en goed, jouw rijkdommen, jouw bezittingen voor jou beheert. Een rentmeester is een beheerder. En deze rentmeester verkwistte zijn bezit. Hij ging er niet goed mee om. In plaats van dat die man zorgde dat het geld bij elkaar bleef en dat het zelfs nog een beetje meer werd, gebeurde het omgekeerde. Hij joeg er het geld doorheen. En daarom wordt hij ontslagen. En dat is natuurlijk een geweldige schrik voor die rentmeester. Er was geen sociale bijstand, er waren geen werkeloosheidsvoorzieningen. Wat moest deze man doen? Voor de handliggend zou zijn om zich te gaan verhuren aan een boer maar van spitten had hij geen verstand en bedelen dat was natuurlijk ook geen optie als je eerst zo'n eervolle baan hebt gehad en dan bedelen. Dat zag hij helemaal niet zitten. Het enige wat hij kon bedenken was die mensen met wie hij altijd te maken had: De schuldenaars van zijn meester. De pachters of wat het ook moge zijn. Dat waren de mensen met wie hij regelmatig moest omgaan. En dat waren eigenlijk, in zekere zin, zijn enige kameraden. En hij kon alleen maar hopen als hij die mensen nu wel zou doen, dat die mensen hem, als hij straks op straat stond, zouden ophalen, nemen in hun huizen. Op z'n minst zouden zorgen voor zijn natje en zijn droogje. En dan doet hij dat merkwaardige. Hij roept die schuldenaars van zijn heer bij zich en de ene heeft een schuld van honderd vaten olie en de ander heeft een schuld van honderd zakken tarwe en hij bedraagt die bedragen tot respectievelijk vijftig en tachtig en zo zal hij dat met een heleboel andere schuldenaars ook gedaan hebben.

Nou, in de eerste plaats lijkt ons dat nogal onrechtvaardig, oneerlijk. Het merkwaardig is: Deze man is ontslagen vanwege wanbeheer en wat hij nu lijkt te doen is het wanbeheer nog een stuk vergroten, zijn meester nog verder benadelen en tot onze stomme verbazing lezen we dan dat in plaats daarvan zijn meester hem prijst. Omdat hij met overleg gehandeld had. Nou, wat is nu dat overleg? Hoe komt het dat deze meester niet nog bozer op hem is dan hij al was maar dat Hij hem prijst. Om dat te weten zou het kunnen zijn dat broeder Mons gelijk heeft maar het zou ook kunnen zijn dat hij maar een beetje gelijk heeft. Daarvoor moeten we weten wat het rentegebod inhield. Je hebt daar een voorbeeld van in Leviticus 25 vers 36 waar heel duidelijk staat dat je als Israëliet geld uitleent aan een andere Israëliet, dan staat er: "Gij zult geen rente of winst van hem nemen, maar gij zult voor uw God vrezen opdat uw broeder bij u in het leven blijve", Leviticus 25 vers 36. Daarachter zat een sociaal beginsel. Er werd vanuit gegaan dat jouw volksgenoot van jou leent omdat hij arm is, omdat hij geld nodig heeft. Het water staat hem tot aan de lippen. En nu komt hij bij jou en nu zou jij misbruik van die gelegenheid kunnen maken namelijk door hem een fikse woekerrente op te leggen. Wetende dat de man dat geld dringend nodig heeft maar jij haalt eruit wat erin zit. En dan zegt de Here God: Nee, dat mag niet. Als je hem geld leent dan moet je dat ruimhartig doen. Er staat niet bij dat je het hem perse moet geven. Dat zou natuurlijk ook weer gevaarlijk kunnen zijn want dat kweekt gemakzucht en dat werkt luiheid in de hand en dan komen de armen allemaal bij de rijkeren zeuren. Nee, je hoeft het niet aan hem te geven maar je mag er ook niet rente over vragen. Dit gebod is ook terechtgekomen in de koran. Het wordt ook onder moslims gehandhaafd. Vandaar dat moslims een heel eigen bankstelsel hebben om toch geld te kunnen verdienen op vermogen zonder dat er rente geheven wordt. Dat is natuurlijk een lastig probleem en dat soort islamitische rechtbanken verzint dan ook soortgelijke trucs als hier ook gebeuren. En wat hier gebeurt in de gelijkenis was in die tijd heel normaal. Men omzeilde het gebod. Dat kwam ook wel een beetje, dat moeten we ook eerlijk erbij vertellen, dat het gebod allang niet meer ging alleen maar over arme mensen die dringend geld nodig hadden en die je niet mocht uitzuigen. Wij kunnen ons vandaag onze economie helemaal niet meer voorstellen zonder leningen. Velen van ons hebben een huis dat met een grotere of kleinere hypotheek is belast. Een geldsysteem, een economische orde zonder dat er geld geleend wordt dat is voor ons ondenkbaar. En daarbij gaat het helemaal niet om armoede. Wij vinden rente daarvoor heel fatsoenlijke en normale beloning. Nou, dat vonden een heleboel Israëlieten ook. Het mocht niet en toch wil je aan je geld verdienen. Je wilt, als je geld hebt, daarop verdienen. Je wilt dat het groter wordt. Dat kun je doen door te investeren. Dat is één manier. Dan haal je er winst mee. Dat is geen rente. Je investeert het in een project. Je kunt er bijvoorbeeld goederen voor kopen die je dan verkoopt met winst. Dan is het niet een rente maar dan is het winst waardoor je vermogen wordt vermeerderd. Als je nou geen rente mag heffen, dan heb je dus de neiging geld alleen in projecten te investeren. En mensen die dan geld nodig hebben, die zie je dan een beetje over het hoofd. En dat is nou ook weer niet de bedoeling. Vandaar de truc die men bedacht had. Stel je voor, je wilt honderd euro lenen van iemand en daar mag je geen rente over heffen, daar mag geen rente over gevraagd worden. Wat doe je dan? Je schrijft in de schuldbekentenis – dat heb je goed uitgerekend – stel je voor, je moet tien procent betalen maar je hebt het voor lange termijn gerekend; laten we nou eens aannemen dat het uiteindelijke bedrag dat je moet betalen, als je tien procent rente zou betalen, ongeveer ook honderd euro was. Dan schrijven we gewoon op: jouw schuldbekentenis is tweehonderd euro maar je krijgt er maar honderd. Jij betaalt dus een schuld op papier tweehonderd euro groot maar je krijgt er maar honderd. Maar je zult tweehonderd moeten terugbetalen. Dat is een manier om het rentegebod te ontduiken. Maar dat was een zeer geaccepteerde manier. Dit was ook niet blijkbaar wat deze meester tegen zijn rentmeester had. Die had z'n bezit verkwist, dat is een totaal ander iets. Daar is hij voor ontslagen. Eigenlijk was deze heer, deze rijke meneer, waarschijnlijk zelf de schuldige. Je kunt je niet voorstellen dat die rentmeester dat zelf zo bedacht had. Tenzij dat broeder Mons gelijk heeft en hij daarboven op nog eens een keer, laten we pakweg zeggen, ook nog eens twintig procent berekende zonder dat zijn heer dat wist. Dus dan betaalde die arme man die maar honderd euro kreeg in feite tweehonderdveertig euro. Die tweede honderd was die verkapte rente en die veertig, dat was de bonus – over bonussen gesproken, had je toen ook al – dat was dan de bonus voor deze rentmeester. Hoe dat precies zit? Over dat laatste, over allebei, zou deze meester zich moeten verblijden. Hij ziet dat wat deze rentmeester doet eigenlijk ook beschamend is voor deze meester zelf. Als hij die veertig euro ervan aftrekt, dat was oneerlijk. Dat had hij sowieso niet mogen doen. Hij had een vast salaris bij zijn meester. Hij werd niet geacht nog eens een keer veertig procent of veertig euro erbij op te tellen. Dat was sowieso oneerlijk. Maar als hij honderd euro uitleende en tweehonderd euro terugvroeg, dat was een oneerlijkheid waarvan je niet kan voorstellen dat hij dat zelf bedacht had. Dat was de normale manier waarop een rentmeester het geld van zijn meester beheerde. En als hij dus vervolgens die schuldbekentenissen veranderde, dan betekent dat, dat hij die fictieve rente ervan afhaalde. Als iemand honderd euro had geleend dan hoefde hij ook maar honderd euro terug te betalen. Hij bracht die schuldbekentenissen terug naar het Bijbelse niveau. Hij deed dus niet oneerlijk, in tegendeel, hij werd nu pas eerlijk. Die mensen die dat geld geleend hadden, deden natuurlijk dat spelletje mee want ze hadden nou eenmaal die honderd euro dringend nodig. En waarschijnlijk was het overal hetzelfde liedje. Dat als je dat voor een aantal jaren leende, dat je dan in feite tweehonderd moest terugbetalen. Anders zouden ze wel naar een andere gegaan zijn om daar het geld te lenen. Het was gewoonte geworden. En nu komt deze man, deze rentmeester en die zegt tegen ze: luister, dat extra geld, dat vergeten we, dat schrappen we. Dat was een geweldig geluk. Ze hadden honderd euro geleend en ze hoefden ook maar honderd euro terug te betalen. En die schuldenaars wisten ook heel goed wat er aan de hand was. Die wisten van dat hele spelletje maar ze konden zich er niet aan onttrekken want als iedereen eraan meedoet dan kun je niet je er buiten plaatsen. Er was geen goedkoop geld te lenen. Maar ze hadden wel in de gaten wat deze man deed. Deze man was bezig een oneerlijke praktijk eerlijk te maken. En daarmee doe je altijd heel verstandig. Daarmee kweek je een hoop sympathie. En dat was precies wat deze man wilde. Want zoals hij zegt: ik hoop dat ze mij in huis zullen nemen. Nou is dat nogal veel, je zou zeggen, iemand zo in huis nemen,dat is nogal geen kleinigheid. Maar die man was met een eenvoudig matrasje tevreden en als hij nog wat mocht mee eten van de maaltijd dan was hij al gelukkig. Want enige sociale zorg bestond er natuurlijk niet. En nu kunt u ook begrijpen waarom die heer hem prees.

Want die heer was zelf ook schuldig. Niet schuldig aan het verkwisten: daar was die rentmeester schuldig aan en daarom moest hij ontslagen worden en dat ontslag wordt ook niet veranderd. Maar die heer was wel schuldig, ook al kon hij zich erachter verschuilen dat iedereen het deed –u kent die verhalen: ze doen het allemaal (dat was ook zo, anders zouden die schuldenaars wel ergens anders heen gegaan zijn)-. Hij begreep heel goed wat deze man deed: wat deze man deed was het valse rentegebod ontduiken ongedaan maken en daar kon hij in feite alleen maar respect voor hebben, want deze man was heel slim en heel gehaaid. En het verkeerde waar zijn eigen meester hem toe aangezet had, dat draaide hij terug. De gelijkenis heet, zoals u net kon zien, de onrechtvaardige rentmeester. Maar eigenlijk is het net als met de verloren zoon. Het is niet de gelijkenis van de verloren zoon, het is de gelijkenis van de gevonden zoon. Het is veel aardiger om te zeggen de 'gelovige Thomas'. Zo is het hier ook. Het is de gelijkenis van de rechtvaardig geworden rentmeester. Als het over onrechtvaardig gaat, moet je kijken naar vers 9: "maak uw vrienden m et behulp van de onrechtvaardige mammon."Waarom is de mammon onrechtvaardig? Mammon is een Aramees woord. Het is niet een naam van één of andere godheid. Het is een Aramees woord voor geld of weelde of rijkdom. Alleen het wordt hier zelfstandig gebruikt, alsof het een persoon is, mister money of iets dergelijks. De mammon wordt hier beschouwd als een soort persoon, maar het is dus niet een godheid. Waarom is die mammon onrechtvaardig? De Here Jezus veroordeelt niet het systeem van lenen: dat was heel normaal. Dat was in het oude Testament ook. Hij zegt ook niet uit overdreven idealisme: die man had die hele schuld moeten kwijtschelden! Dat was nog eens nobel geweest. Nee, zo zit de wereld ook niet in elkaar. De Here Jezus pleit niet dat we kunnen leven zoals we willen en dat die ander al dat geld maar uit goedheid aan ons moet schenken. Dat zou, nogmaals, heel veel luiheid in de hand werken en dat zou heel veel schade teweeg brengen. Heel veel misbruik zou daarvan komen. De Here Jezus veroordeelt niet het geld als zodanig, het gaat niet zonder geld. Ook die gemeenschap van Jezus en Zijn discipelen had een beurs. Die werd dan gedragen door Judas, terwijl de Here Jezus wist dat hij een dief was. Om het geld gaat het niet, maar hoe ga je met het geld om, dat is de grote vraag.

Er zijn twee grote vragen die in deze gelijkenis aan de orde komen. En die moet je goed onderscheiden en die moeten we allebei grondig behandelen. De ene vraag is: hoe ga je om met je aardse bezit? Met je geld? En aards bezit vertegenwoordigt altijd geld, het draait om geld. De onrechtvaardige mammon. Met dat geld wordt ontzettend veel ongerechtigheid bedreven. En er worden heel veel mensen mee uitgebuit, zoals dat hier ook gebeurt. Je hebt in deze wereld de 'haves' en de 'have-nots', noord tegen zuid als je de globe bekijkt. De rijke landen die steeds rijker worden en de armen die steeds armer worden. Het geld als zodanig is niet fout, maar de manier waarop het geld in deze wereld functioneert, maakt dat de mammon een onrechtvaardige mammon is. Nu is de eerste vraag: hoe gaan wij om met dat geld, hoe gaan wij om met onze aardse rijkdom. Maar de andere vraag is nog veel belangrijker en veel interessanter. En dat is dat er dingen zijn in het leven die veel belangrijker zijn dan het geld en dat zijn de dingen waar je je in feite op moet richten. Ondanks dat er in deze vertaling en in een heleboel andere vertalingen ook een scheiding staat tussen vers 9 en vers 10. Dat is verwarrend, dat moest eigenlijk niet. Want vers 10, eigenlijk tot vers 15, hoort eigenlijk onverbrekelijk bij die gelijkenis. Als je die weglaat of je er een scheidingslijn tussen zet, denk dat vers 9 de praktische toepassing is en dan mis je het belangrijkste gedeelte en dat moet er beslist bij. Dus nog eens: er zijn twee vragen: hoe ga je om met geld en ten tweede: wat is nog veel belangrijker dan geld? Het gaat hier in feite over de regels van het Koninkrijk Gods. Ik heb vers 16 niet gelezen, maar daar staat: de wet en de profeten gaan tot Johannes. Dat is Johannes de Doper. Sinds die tijd wordt het evangelie gepredikt van het Koninkrijk Gods en ieder dringt zich erin. Dat betekent: de mensen die een groot verlangen om deel uit te maken van het Koninkrijk Gods moeten daarvoor hun best doen. In de eerste plaats omdat ze zelf zoveel ballast met zich meedragen. In Lucas 13:24 staat "strijdt om in te gaan door de enge poort." Die poort is zo eng, dat je al die belasting die je op je rug draagt niet mee naar binnen kunt nemen. Die moet je afleggen en dat kost moeite, want dat zijn dingen waar we ons vaak aan vast klampen. En de tweede reden waarom we moeten strijden om erin te komen is dat veel mensen ons ervan proberen af te houden. Die vinden het dwaasheid om discipel te worden van het Koninkrijk Gods. En dus heb je er geweld voor nodig. Mattheüs 11 in de parallelpassage zegt iets dergelijks: met geweld dring je binnen. Geweld naar jezelf toe, maar vooral ook naar die mensen die jou proberen tegen te houden om door die nauwe poort het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Hier gaat het om wetten van God. Hier gaat het om twee economische systemen. Ik ga het eerst over de eerste vraag hebben. Het economische systeem van deze wereld en het economisch systeem van het Koninkrijk Gods. Het is boeiend om deze gelijkenis te bespreken in onze tijd van economische recessie, waar de bankiers een heel groot deel van de schuld dragen. En ten tweede de overheden die de bankiers te weinig hebben gecontroleerd. In een boze wereld, dus de wereld buiten het Koninkrijk Gods, hebben alle krachten elkaar te controleren. De enige manier om de boosheid enigszins in toom te houden is om al die krachten elkaar te laten controleren. Een check houden. Dat is een democratie. In een democratie zien we dat alle kwade machten elkaar zo goed mogelijk in evenwicht houden. Het is niet het beste, het is niet het meest ideale systeem. Maar het is wel het beste van allemaal. Want alle alternatieven betekenen dat één van die boze machten de overhand in de samenleving krijgt. Dus hebben we een methode ontdekt waarbij iedereen iedereen controleert en iedereen iedereen in de gaten houdt. Alleen is dat bij die bankiers helaas niet gelukt omdat zij met gigantische bonussen constant in verleiding werden gebracht om nog meer riskante zakelijke transacties aan te gaan. Ik heb geen verstand van economie, dus als u het beter weet, mag u het me straks vertellen. Maar door de aanlokkelijkheid van grote bonussen worden grote transacties gesloten die heel riskant zijn. Bijvoorbeeld constant mensen die het eigenlijk niet kunnen betalen hypotheken in de maag splitsen. Want voor elke hypotheek die je afsluit, krijg je weer een bonus. En je denkt: 'na ons de zondvloed'. Totdat zo ontzettend veel mensen die het eigenlijk niet kunnen betalen een hypotheek hebben waarvoor vette bonussen zijn opgestreken door degenen die ze hun verkochten. En als dan de hele huizenmarkt in elkaar stort omdat mensen hun hypotheken niet meer kunnen betalen draaien wij daar allemaal voor op en die bankiers gaan vrijuit. Het hele systeem van bonussen is alweer aan het terugkeren. Dat is de economische orde van deze wereld. Dat is de wereld van buiten het Koninkrijk Gods. Die mensen die allemaal zo verschrikkelijk hebzuchtig zijn naar dat geld - want zo gaat dat in de wereld in het Koninkrijk Gods niet, maar daarbuiten wel – denken dat het geld er is om hen te dienen. Dat is een hele oppervlakkige redenering. Ze denken: het geld maakt mij het leven gemakkelijk. Ik kan er een comfortabeler huis en een comfortabeler auto voor kopen. Geld is gemak. Geld betekent ook macht. Geld betekent onbeperkte mogelijkheden. Het geld is er om mij te dienen. En Jezus zegt: dat is een enorm misverstand. Hij zegt namelijk in vers 13: "Geen slaaf kan twee heren dienen." Je kunt niet God dienen en mammon. Wat hier staat is: tegenover het dienen van God staat het dienen van mammon. Laat eens tot u doordringen wat daar letterlijk staat. Niet 'het geld dient jou', maar 'jij dient het geld'. Er zijn twee werelden: het rijk van de duisternis en het rijk van het licht, dat is het Koninkrijk Gods. In het rijk van de duisternis dien jij het geld. In het rijk van het licht dien jij met het geld de ander. Dat is zo belangrijk dat ik het nog een keer zeg. Nooit is het zo dat het geld jou dient. Je wordt of een slaaf van het geld en dat is het geval in het rijk van de duisternis. Al die bankiers –de goeden niet te na gesproken, maar daar kom je er niet zoveel van tegen lijkt het wel- die mensen die allemaal van het hhh-geloof zijn: hebben, halen en houden, zijn schraperig en inhalig. Ze denken dat het geld hen dient, maar ze dienen de mammon. In het Koninkrijk Gods geldt een totaal ander economisch systeem. Daar gaat ook geld om, daar gaan ook miljarden om, denk erom hoor. Maar het principe van het Koninkrijk Gods is dat het geld er is om de ander te dienen. Ik herhaal het nog eens: of jij dient het geld en dan dien je niet God of jij dient God en dat betekent dat je anderen dient met behulp van dat geld. Dan dien je een ander, zoals deze man die een onrechtvaardige rente kwijtschold om daarmee die mensen te dienen in de hoop dat hij daarvoor in hun woningen zou worden opgenomen. En de Here Jezus past dat toe: als je zo goed omgaat met de rechtvaardige mammon aan het eind van vers 9, dan hoop je ook dat je wordt opgenomen in de eeuwige tenten. De eeuwige tabernakelen, dat je mag wonen bij de Here God. Maar daarvoor moet je een heel nieuwe economische orde aanleren: de economische orde van het Koninkrijk Gods. Daar is het geld er in de eerste plaats altijd voor de ander. De Here Jezus zegt het zo kernachtig: niemand kan twee heren dienen. Je dient of God, ook met het geld dat je hebt ontvangen of je dient het geld. En als je God dient in het Koninkrijk Gods, dan dien je met het geld God, want het gaat om Zijn zaak in deze wereld die wij met onze geldelijke middelen ondersteunen of je dient de ander, de naaste, je medemens. Twee totaal verschillende economische orden. De ene economische orde leidt absoluut naar de afgrond. Laat het vanavond maar eens heel zwart-wit tegenover elkaar stellen. Zwart-wit dat betekent duisternis tegenover licht. Dit is een economische orde die leidt tot de afgrond. En de economische recessie laat zien wat voor rampzalige gevolgen dat heeft en het is vaker gebeurd, zo'n recessie. We leren maar weinig uit de geschiedenis. Eigenlijk leren we maar één ding uit de geschiedenis, namelijk dat we niets van de geschiedenis leren. En dat is hier ook zo: deze dingen herhalen zich elke zoveel jaar weer. Want hoe pakken wij die bankiers aan? Dat is het grote probleem. Hoe voorkomen we dat het weer gebeurt? Dat vroegen ze rond 1930 ook al bij de grote Krach en na zoveel jaar gebeurt het weer. Het is een economie van de afgrond. En daartegenover staat een economie waarin God gediend wordt en de naaste gediend wordt met het geld. Dat is het ene, heel belangrijke principe.

Maar het tweede wat ik zei – ik zei: er zijn twee grote lessen – is dat het geld niet het belangrijkste is en als je dat eenmaal ziet dat andere dingen belangrijker zijn, is het ook veel gemakkelijker om de economie van het Koninkrijk Gods aan te leren. Ik bedoel dit: een economie van het Koninkrijk Gods is dat het geld er niet in de eerste plaats is om mij het leven te veraangenamen, maar waarbij het bedoeld is om het werk van het Koninkrijk Gods te bevorderen, om het werk van God te bevorderen. De naaste ermee te dienen. En dat breng je pas echt op als dat tweede punt aan de orde komt. En dat tweede punt is dat je gaat zien dat er een ander soort rijkdom is die veel heerlijker, veel groter en veel belangrijker is dan het geld. De onrechtvaardige mammon. We weten uit de gelijkenis van de rijke dwaas, dat de Here Jezus vertelt in hoofdstuk 12 van Lucas deze kwestie al aan de orde had gebracht. Het land van een rijk man had veel opgebracht, zegt vers 16. En dan zegt die man: wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om die vruchten te herbergen. Dit zal ik doen: ik zal mijn schuur afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al het koren en al mijn goederen bergen. En ik zal tot mijn ziel zeggen: ziel, gij hebt veel goederen opgetast voor vele jaren, houdt rust, eet drink en wees vrolijk. En dan zegt de Here God tegen hem: gij dwaas, in deze nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereed gemaakt hebt, van wie zal het zijn? En dan worden er twee lessen getrokken. De ene les staat aan het begin van de gelijkenis, vers 15: ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit. Je leven behoort niet tot jouw bezit. Je bezit is leuk en aardig zolang je leeft, maar aangezien je je leven niet in de hand hebt, ben je heel vaak bezig alleen maar goederen te vergaren voor je eigen kinderen of voor anderen die het na jou zullen genieten. En het tweede is, en dat is nog belangrijker, in vers 21: zo vergaat het hem die zelf schatten verzamelt en niet rijk is in God. Dat kun je als motto schrijven boven de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester. Hoe komt het dat deze man zo gefixeerd is op zijn aardse rijkdom en hoe komt het dat veel christenen die in veel opzichten toch wel degelijk leven in het Koninkrijk Gods toch zo gefixeerd zijn op het geld? Dat ze toch slaven van het geld geworden zijn en zich om niets meer te lijken bekommeren om de uitbreiding van hun vermogen? Dit is het antwoord: ze zitten wel in het Koninkrijk Gods, maar ze zijn niet rijk in God. Een sleutelterm in dit evangelie: 12:21, nooit meer vergeten. Je moet leren wat dat is: rijk zijn in God. Je kunt het ook zo zeggen: je moet leren wat het mindere is en wat het ware is.

Kijk eens met mij naar deze belangrijke verzen Lucas 16:10-12, daar wordt het zo prachtig tegenover elkaar gesteld. Wie in zeer weinig getrouw is, is ook in veel getrouw. Andere vertalingen zeggen: wie in het minste getrouw is. Er is de wereld van het weinige, van de kleine dingen en er is een wereld van het vele, van de grote dingen. Het rijk van de duisternis is ontzettend gefixeerd op kleine dingen. In het rijk van God, het Koninkrijk Gods, gaat het om de echte, grote dingen. Dat is de eerste tegenstelling die hier gebruikt wordt. Vers 10b zegt nog eens hetzelfde: wie in zeer weinig onrechtvaardig is, is ook in zeer veel onrechtvaardig. De tweede tegenstelling: indien gij dan niet trouw geweest zijt ten aanzien van de onrechtvaardige mammon, wie zal u dan het ware goeds toevertrouwen? Dat is de tweede tegenstelling. Aan de ene kant de onrechtvaardige mammon, aan de andere kant het ware. Goeds staat er eigenlijk niet, maar dat moet je erbij denken. Het ware ... waar het echt om gaat. In het rijk der duisternis heerst een economie waar het gaat om het valse, het onechte. Die munten kunnen nog zo echt zijn, maar het is toch het onechte vergeleken bij de geestelijke dingen, terwijl het in het Koninkrijk Gods gaat om het ware goed. Dus het kleine tegenover het grote, ik zal dat verder direct nog uitwerken, maar ik wil even die drie tegenstellingen scherp tegenover elkaar stellen. In de tweede plaats het onrechtvaardige geld tegenover het ware goed, dat heeft weer te maken met Lucas 12:21, het rijk zijn in God. En de derde tegenstelling is in vers 12. Indien gij niet getrouw zijt geweest ten aanzien van het goed van een ander, wie zal u het onze – of in ander vertalingen 'het uwe'- geven? Er is iets wat van een ander is, daarom ben je rentmeester. Er zijn ontzettend veel dingen in dit leven waarover wij slechts rentmeester zijn en die zijn niet van ons. Dat is de grootste ontknoping in deze gelijkenis. Het geld is helemaal niet van ons. Ons aardse bezit is helemaal niet van ons. Deze aarde is niet van ons, ons leven is niet van ons, onze kinderen zijn niet van ons, we zijn er slechts rentmeesters van. Dat wil zeggen: ze zijn van een ander en jij mag ze voor een tijd beheren. Dat is een totaal ander perspectief op economie. In de economie van het Koninkrijk Gods zijn we ons ervan bewust dat al die aardse dingen niet van ons zijn. En daartegenover staat: het uwe, of het onze afhankelijk van welk handschrift het is. Laat die drie dingen eens op u in werken, het kleine tegenover het grote. Stelt u eens voor de hele economie, dat zijn de kleine dingen. Daar heb je het perspectief van het koninkrijk Gods voor nodig anders snap je het niet.

Als u kijkt waar het in de politiek van ons land om gaat dan ziet u dat het voor het aller aller grootste deel gaat het daar over de centen. Het allerbelangrijkste onderdeel van de jaarlijkse troonrede is, heeft in feite betrekking op de vraag, de krappe middelen die we hebben hoe gaan we die zo goed mogelijk en zo eerlijk mogelijk besteden. Het gaat altijd om de vraag hoeveel kost dit en wat kost dat? En wat levert het ons op. Hoe besteden we zo goed mogelijk het inkomen dat via belastingen enz. binnenkomt. De economie is het aller belangrijkste onderdeel van de politiek. Er zijn ook wel ethische vraagstukken die aan de orde komen maar die vallen in het niet bij vergeleken de economie. Onze hele wereld drijft op de economie. Met andere woorden, als de huizenmarkt in de Verenigde Staten instort dan raakt dat alle landen van de wereld, dat hebben we gemerkt in de recessie. Met andere woorden je kunt bijna niets verzinnen wat belangrijker is in deze wereld dan de economie. En nu bent u een onderdaan van het koninkrijk Gods geworden. En wat u leert is, die hele wereld economie hoort tot de kleine dingen. Daarom is het koninkrijk Gods zo boeiend. Je krijgt daar totaal andere perspectieven. Het zijn de kleine dingen. Dat is niet hetzelfde als Zacheria 4 dit is de dag van de kleine dingen, dat is heel wat anders. Dat zijn niet de kleine dingen waar we het nu over hebben. Dit zijn de kleine dingen. En dat kun je alleen maar zien als je weet wat de grote dingen zijn. Je kunt niemand bij brengen je kunt geen wereldling kun je bij brengen, economie dat zijn maar kleine dingen, hij zal denken dat je niet goed snik ben. Want in deze wereld draait alles om economie.Dat is het grootste wat je je kunt voorstellen. Of het nou een kunst of wetenschap is, je kunt alleen maar bloeien als er geld is als er in een samenleving een zekere welvaart heeft.

En die word door het economisch bestel mogelijk gemaakt. Alles is mogelijk, alle luxe dingen, subsidies voor kerkbouw noem maar op, het is allemaal mogelijk als een land een zekere welvaart heeft ontwikkeld. Economie is alles. Nee, zegt het koninkrijk Gods. Economie behoort tot de kleine dingen. En daar tegenover staan echt grote dingen. Dat is het principe van Mattheus 6 waar de Here Jezus zegt zoek eerst het koninkrijk van God en al die andere dingen waar het in de economie over gaat, eten en drinken kleding en voedsel, onderdak, auto's laptops, al die dingen zullen je erbij geschonken worden. Het gaat om het koninkrijk Gods. En Zijn gerechtigheid vergat ik nog te citeren, en al die andere dingen zijn secundaire dingen vergeleken daarbij. Dat zijn de grote dingen ten opzichte van die kleine dingen van eten en drinken en al die andere zaken waar het in de economie om draait.

Daarvoor moet je een dienstknecht van het Koninkrijk Gods zijn, moet je verlichte ogen van je hart hebben om de dingen te zien in perspectief. Want zo gauw je dat ziet zie je hoe dwaas het is als een christen zo gefocust is op dat vervelende geld. "Geld stinkt niet" zeiden de Romeinen, maar als er iets is wat zo verschrikkelijk stinkt dan is het dat. Die kleine dingen van deze wereld, nou de tweede tegenstelling.

Het valse en het ware. Het onechte dat hier omschreven word als de onrechtvaardige mammon in vers 11 en daartegenover het ware goed. Het is niet zo makkelijk om deze beginselen van het koninkrijk Gods te begrijpen. Want je kunt wel op een of andere manier deel uitmaken van dat koninkrijk Gods, eigenlijk kun je zeggen dat iedere christen een onderdaan is van het koninkrijk Gods, maar dat wil toch niet zeggen dat elke christen zo goed deze dingen in het juiste perspectief ziet. Dat hij inderdaad ziet dat hij, die hele economie van deze wereld behoort tot de onrechtvaardige mammon, en niets te maken heeft met het ware. En daarom nogmaals, ik heb al gezegd, ik zou hier boven willen schrijven Lucas 12 vers 21 rijk zijn in God! Als je niet rijk ben in God snap je niets van wat ik vanavond probeer te vertellen. Dan denk je die man heeft mooi praten. Die komt hier ook in een net pak en in een nette auto naar toe gereden, Ik heb van de week op televisie gezien dat hij ook in een net huis woon. Dus die mensen die denken van die man heeft mooi praten. En vergeleken bij de meeste mensen in deze wereld heb ik maar u net zo goed, hebben wij het verschrikkelijk goed. Dat is zo! En toch zeg ik het zijn de kleine dingen. Je zou geen seconde mogen aarzelen als al dat aardse goed van je werd afgenomen zolang ze maar die aan je ware schatten komen. En als iemand niet rijk is in God, begrijpt hij er niks van. Is dat geen prachtige uitdrukking? Rijk zijn in God dat wil zeggen, in God vind ik alle ware rijkdom, want in God vind ik het ware leven. Het eeuwige leven dat uit God is. In God ga ik begrijpen wat de hemelse dingen zijn, die hebben te maken met wat hier genoemd word die eeuwige tenten.

In God krijg ik een perspectief van eeuwigheid en al dat gesnor in de economie hier op aarde dat heeft allemaal te maken met het tijdelijke en het vergankelijke leven. En hier gaat het om dingen die al brandende zullen vergaan. Het gaat om dingen die allemaal teloor gaan. En wat waar is, wat blijvend is wat waarachtig is, ik zal u een concreet voorbeeld geven. We lezen in Efeze 1:3 dat wij gezegend zijn met elke geestelijke zegening in de hemelse gewesten. Zou u mij één plaats kunnen aanwijzen in het Nieuwe Testament niet in het Oude daar is het heel anders. In het nieuwe testament waarin gezegd word dat onze aardse zegeningen onze eigenlijke christelijke zegeningen zijn. Paulus schrijft in 1 Timotheus 6 als wij voedsel kleding en onderdak hebben dan moet ons dat genoeg zijn. Meer hebben we absoluut niet nodig. Dat is de grote dwaasheid van het prosperity gospel, het welvaarts evangelie.

Dat wordt ook hoofdzakelijk in Amerika en Europa gepredikt want wat moet je er in vredesnaam mee in al de derde wereld bij al die sloebers. Dat welvaarts evangelie dat betekend dat God ons allemaal heel veel aardse rijkdom zou willen geven.

En dat word die mensen wijs gemaakt, en dat kun je krijgen door grote sommen af te staan aan de prediker. Ik heb één keer meegemaakt dat een Afrikaanse prediker in Suriname waar daar een paar duizend arme sloebers voor hem zaten, vertelde in wat voor geweldig groot huis hij had daar in Afrika. Hij mat dat uit op het podium, en hij zei dat kunnen jullie ook allemaal krijgen zo, n groot huis. Dan moet je mij 500 euro geven, dat hebben jullie wel niet maar dat geef niet dan verkoop je maar spullen die je heb of je gaat het maar leven bij de bank, als je maar vandaag of morgen of overmorgen zolang die campagne duurt, hier die 500 euro kom brengen. En hoeveel van die arme sloebers hebben dat niet gedaan. En dat is voor die mensen daar een verschrikkelijke hoop geld, en hij maakte ze wijs dat, ik was zo ontzettend kwaad en verontwaardigd, hij maakte ze wijs als je dat geld aan mij geeft dan gaat God het, geen wonder dat die man in zo, n groot huis woont, zo kan ik het ook, nou of ik het zou kunnen dat weet ik niet maar het principe is duidelijk. Dus nou kan die in een nog groter huis gaan wonen door die arme sloebers in Suriname die allemaal dat geld hebben afgestaan.

Je snapt toch niet dat die mensen zo dom zijn. Maar het gaat door hoor, in de Bijlmer zijn heel wat van dat soort gemeentes. Land niet allemaal maar ik heb me laten vertellen door kennissen, mensen die er echt kennis van zaken hebben, dat er heel veel van dat soort gemeentes zijn van allochtonen waar de voorgangers op dezelfde wijze die arme mensen het geld uit hun zak trommelen. Vanuit het principe als je geld geeft, en dat betekend altijd aan de voorganger dan word dat zoveel malen vermenigvuldigd en dat krijg je allemaal terug.

Je hoeft aan die mensen maar te vragen, noem eens één voorbeeld in het nieuwe Testament waar dat zo is. En dan zal ik daar tegenover 1 Timotheus 6 plaatsen waar Paulus zegt als we voedsel kleding en onderdak hebben is dat genoeg. En waar hij zegt, mensen die rijk willen worden die vallen in vele verzoekingen, en mensen die rijk zijn, want je kunt het niet helpen als je rijk ben he, je heb geërfd of zo of het geld stroomde vanzelf naar ze toe. Maar die mensen hebben een schitterende mogelijkheid wat ze met die rijkdom moeten doen en dat is uit delen. Ze mogen er van genieten dubbele punt door wel te doen en vrijgevig te zijn. Dat is het beeld van de Bijbel. Waarom? Omdat al dat aardse goed dat zijn de kleine dingen, dat is niet het ware leven. Het ware leven is het rijk zijn in God. De volgende maand gaan we het hebben over die arme Lazarus. Al die verhalen volgen logisch op elkaar. Die arme Lazarus was rijk in God, daarom ging hij naar het paradijs. En die rijke man die was niet rijk in God en daarom moest hij alles achter laten en kwam hij in het dodenrijk terecht. De volgende keer is de nadere uitwerking van deze dingen die we hier overdenken. Het ware leven is het rijk zijn in God!

En dan tenslotte, indien gij niet getrouw geweest zijt ten aanzien van het goed van een ander. Al die aardse bezittingen waar men zich zo druk over maak daar zijn we allen maar rentmeesters over. Wij zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. Van Israel lees je dat nooit. Van Israel lees je bijvoorbeeld in Deuteronomium 28,29 en ook in Leviticus 26 over allemaal aardse rijkdommen. Als ze de Here trouw zouden dienen zou Hij hen zegenen in hun oogst in hun eten en drinken in hun vruchtbaarheid van henzelf en van hun vee allemaal aardse zegeningen, er wordt geen enkele hemelse zegening genoemd. En bij ons is het net andersom. Daarom ... ik krijg er altijd moeilijkheden mee maar ik doe het toch, ben al op een leeftijd dat het me niet zoveel meer kan schelen allemaal, dat is het hele principe van de tienden. Dat is een puur oudtestamentisch principe. In het oude testament was het zo, je kreeg al die aardse zegeningen alleen je moest er wel tien procent van terug geven. Maar in het nieuwe testament werkt dat niet zo, daarom word het principe van de tienden ook nooit gebruikt in het nieuwe testament. Want in het nieuwe testament is het uitgangspunt, alles wat je aan aardse bezittingen heb dat is helemaal niet van jou. Dus strikt genomen wij moeten helemaal geen tien procent geven, wij moeten honderd procent geven of beter gezegd wij geven het niet het is al van Hem. Je moet je dus niet afvragen hoeveel moet ik aan de Here geven, je moet je af vragen hoeveel mag ik voor mezelf houden. Want het is van Hem, maar je mag er een deel van voor jezelf gebruiken dat is helemaal geen punt.

Maar heel veel gemeenten die eisen van hun leden dat ze tien procent en als jet tien procent beginsel klopt, waarom zou je dat dan allemaal aan je eigen gemeente moeten geven. Maar heel veel gemeenten kunnen alleen maar functioneren om van al hun leden tien procent te vergen. Maar het hele principe is oud testamentisch. Het is een groot misverstand. Ik krijg hier altijd wat moeilijkheden mee van de voorgangers die zeggen je ondergraaf mijn hele positie, maar luister eens even ik ben er om de Bijbel uit te leggen. En jullie mogen zelf de schade, ik bedoel als alles van de Here God is en de mensen die willen daarvan best tien procent aan jullie geven dat is toch prima. Allen zeg niet dat dat moet omdat dat in de Bijbel staat want dat slaat nergens op. Als een gemeente zegt je kan alleen maar lid worden als je twintig procent geeft dan, ga je gang , kijk maar hoeveel mensen erin trappen. Maar als je zeg, het moet, want het staat in de Bijbel dat je tien procent moet geven dan zeg ik luisteren jullie zijn zo altijd tegen het Oude Testament, dat is niet meer voor ons, maar als het op de tiende aankomt dan houden jullie ineens het Oude Testament erbij. Dat is principieel verkeerd. Alles behoort aan de Here God toe. Al het aardse bezit daarover zijn wij maar rentmeesters. En daar tegenover staat, wie zal U het Uwe geven? Wat is het Uwe? Efeze 1:13 gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten.

Wat is ons erfdeel? Niet een één of ander aards land, maar het erfdeel van de Heiligen in het licht zegt Colossen 1:12. Een erfenis zegt 1 Petrus 1:3,4 een erfenis een onverwelkelijke erfenis die voor ons weggelegd is in de hemel. Onze eigenlijke geestelijke Christelijke zegeningen zijn allemaal geestelijk van aard, Niet stoffelijk. Bij Israel was het net andersom. Vandaar dat daar het principe van de tienden is. Ik zeg dus deze dingen niet om u minder te laten betalen, alle voorgangers in ons midden die nu bang zijn dat ik hun positie ondergraaft die moeten me dankbaar zijn want u kunt dus voortaan wel twintig of dertig procent vragen, want alles wat de mensen hebben is van God. Of ze het zullen doen is wat anders. En of u het kunt eisen is ook wat anders, maar het is allemaal al van Hem. Dat is de economie van het koninkrijk Gods. Dat is ook het bijzonder, al die mensen in het koninkrijk Gods die hebben met elkaar een hele hoop vermogen. Dat is allemaal van de Here God. Maar Hij is een hele royale God, je mag er ook voor jezelf van gebruiken. Moet je natuurlijk wel netjes vragen want het is van Hem. Maar als je vraagt van Here God ik wil graag op vakantie met mijn gezin, en Hij vind het goed, dan neem je van Zijn geld, maar Hij vind het goed, vakantie. Maar het is van Hem, En dit is zo, n principiële ander kijk op ons hele principe van ons bezit. In ons denken hebben we nog steeds de economie van het rijk van de duisternis en in het beste geval de economie van het land Israel. Maar alles draaide om het aardse goed en de aardse zegeningen. Ze kenden ook wel geestelijke zegeningen maar geen hemelse zegeningen. Wij zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. En dat is de mentaliteit van het koninkrijk Gods.

Kun je voorstellen dat die mensen zoals die farizeeën, en dat is het laatste, dat die mensen dan spotten, want die mensen waren geldzuchtig, die waren er altijd op uit, ze gaven wel aalmoezen maar dat deden ze dan toch zo dat iedereen het zag, maar ze waren geldzuchtig zegt vers 14 en ze spotten met Jezus. Het is de enige manier waarop ze meenden Hem van repliek te kunnen dienen door met hem te spotten. En dan zegt de Here Jezus gij zijt het die voor rechtvaardig wil doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten, want wat hoog is bij mensen is een gruwel voor God. Zie je dat? Geldzucht hangt samen met het groot willen zijn bij mensen. Geld is een middel tot aanzien en macht. Geld maakt alle dingen mogelijk, dat geeft je geweldige mogelijkheden tot macht. Geld geeft je ook heel veel respect en aanzien. U weet het in elke gemeente heb je zulke mensen die om hun eigen geestelijke eigenschappen niet zoveel respect zouden oogsten, ook niet om hun geestelijk gehalte, maar wel om het feit dat ze stinkend rijk zijn. Geld geeft aanzien en macht. Maar zegt de Here Jezus hier, het is wel een droevig slot van deze avond, wat hoog is bij mensen is een gruwel bij God. Dat wil zeggen als je hoog bij mensen bent op grond van jouw gehaaide manieren om geld te werven is dat een gruwel bij God.

Is er hoop voor die mensen? Ja, maar dan zullen ze een radicaal andere mentaliteit moeten ontwikkelen. Je kunt in het koninkrijk Gods zijn lieve mensen, en een mentaliteit hebben van het rijk van de duisternis. Je kunt op je vingers na tellen dat onder al die bankiers die die vette bonussen opstreken in de Verenigde Staten ook heel wat Christenen zitten. Mensen die de mammon dienden, want als je eenmaal in die verzoeking bent gekomen dan moet het sterke benen zijn die die weelde kunnen dragen. Laten we dat heel goed bedenken. Al deze dingen hebben tot elk van ons aantrekkingskracht. De één wat meer dan de ander. En als je niks hebt dan kun je ook makkelijk zeggen het heeft op mij geen aantrekkingskracht, maar let maar op zodra het toch naar je toe komt.

Al die mensen die zeggen voor mij betekend het niks dat zijn wel mensen die elke maand een lot kopen bij de staatsloterij. Allen al dat! Dat verraad ze, daarom vertellen ze daar ook weinig over. Maar ja je weet maar nooit. Het zou toch leuk zijn. Dit is een mentaliteit van het rijk van de duisternis. Over zoiets algemeens en alledaags waar we elke dag mee te maken hebben, lieve mensen worden ons hier twee perspectieven voorgesteld. Het één is van het rijk van de duisternis en het andere van het rijk van het licht. Van het koninkrijk Gods. Geld als middel om God te dienen. Geld om als middel de naaste te dienen. En verder in eenvoudigheid je weg te gaan, want als we eten den drinken hebben zegt Paulus, kleding, voedsel en onderdak dan zullen wij tevreden zijn. En Paulus zegt tegen Timotheus, grijp het ware leven. Tegenover al die aardse dingen zegt hij aan het einde van 1 Timotheus 6 grijp, dat wil zeggen probeer het te pakken te krijgen dat wil zeggen krijg het in je vingers, het ware leven met God. vers 19 van 1 Timotheus 6 waardoor ze zich een vaste grond slaan, voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen. Ik gun u van harte heel veel kennis en inzicht in het ware leven.

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?