Hart voor Waddinxveen


(6) Lezing gehouden op 12 maart 2010 over "De farizeeër en de tollenaar" door Willem J. Ouweneel in de Ontmoetingskerk in Waddinxveen Afdrukken E-mailadres
zondag, 05 september 2010 21:49

Wij gaan vanavond lezen uit het Lukas evangelie. De vorige maal hebben we ook al uit hoofdstuk 18 gelezen. We hebben ons beziggehouden met de eerste gelijkenis die we daar vinden in vers 1-8 de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter en direct daarop vertelt de Here Jezus een andere gelijkenis die we vinden in vers 9-14 en die we noemen: de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar. Ik lees uit de Telos vertaling Lukas 18 vanaf vers 9.

'Hij nu zei ook tot sommigen die van zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en de overigen verachten, deze gelijkenis: twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de één een farizeeër en de ander een tollenaar. De farizeeër ging daar staan en bad dit bij zichzelf: o God, ik dank U dat ik niet ben zoals de overige mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook als deze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van al mijn inkomsten. De tollenaar echter bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel maar sloeg zich op de borst en zei: o God, wees mij, de zondaar, genadig. Ik zeg u, deze ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis in tegenstelling met de ander want wie zichzelf verhoogt, zal worden vernederd maar wie zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.' Het zijn maar zes verzen waarmee wij ons vanavond bezighouden. En deze gelijkenis is helemaal niet zo gemakkelijk. Oppervlakkig gesproken zou je dat misschien wel denken maar ik hoop dat u gaat zien dat er meer in zit dan het zo lijkt.

 

Het begint al meteen met een groot probleem. U moet zich eens proberen in te denken hoe de mensen van tweeduizend jaar geleden deze gelijkenis hoorden, met wat voor oren en leg daar eens naast hoe wij deze gelijkenis horen. Dat is al zo'n enorm verschil dat het verhaal op ons totaal anders overkomt dan op deze luisteraars van toen. En ik denk dat we eerst maar eens moeten proberen te horen wat zij hoorden want de Here Jezus vertelde het niet aan ons maar aan hen. En we moeten dus proberen te luisteren zoals je mag verwachten dat zij het gehoord hebben. Dan pas kun je een begin maken met het begrijpen. Het is namelijk zo als wij een verhaal horen over een farizeeër en een tollenaar dan zetten we bij het woord farizeeër al meteen onze stekeltjes overeind want we weten: die mensen deugden niet. Er waren wel een paar uitzonderingen: Saulus van Tarsus, Nicodémus, Gamaliël, je had dus ook wel goeie en in het begin van het boek Handelingen lezen we dat diverse farizeeën ook tot geloof zijn gekomen, dat gold trouwens ook voor Saulus en Nicodémus, maar in het algemeen krijg je in de evangeliën een heel negatief beeld van de farizeeën. Ze worden heel vaak gelijkgesteld met huichelaars. Of de man hier in de gelijkenis ook een huichelaar, dat is nog niet zo zeker, maar in elk geval of ze de Here Jezus nu bij zichzelf uitnodigden of de Here Jezus hield een redevoering tegen de farizeeën, het totaalbeeld is negatief. Dus als we het woord farizeeër horen dan komen er negatieve associaties bij ons op. Als we daarentegen het woord tollenaar horen, goed, dan weten wij wel die mensen waren collaborateurs met de vijand; zij inden belastingen voor de Romeinen. Dat was al heel erg slecht dat ze dat voor de bezetter deden. Maar daar bovenop zetten ze nog eens een heleboel procenten extra om die in hun eigen zak te kunnen steken. Dat weten we allemaal wel en toch hebben we wel een beetje warme gevoelens want de tollenaars die wij in het Nieuwe Testament kennen, die bekeerden zich. Of je nou denkt aan Mattheüs of (in andere evangeliën heet hij Levi) of je denkt aan Zacheüs. Je denkt: nou die mensen waren toch nog niet zo slecht. Ze werden volgelingen van Jezus. Bij farizeeër horen we dus iets negatiefs, bij tollenaar iets dat niet alleen maar negatief is maar ook wel positief want die mensen bekeerden zich, dat is in dit geval ook zo. En dan moet u eens even tweeduizend jaar teruggaan en proberen te luisteren zoals die mensen luisterden. Het was totaal anders. De farizeeën waren bij het volk zeer in tel. Ze werden zeer geacht. De farizeeën waren een orthodoxe stroming van mensen die de wet zeer goed kenden en zeer goed naleefden althans in de ogen van de mensen. Ze kenden de wet, ze waren niet zoals ze in het Johannes evangelie ergens zeggen 'als de schare die de wet niet kent'. Zij kenden het Woord Gods om het maar in onze taal te zeggen. En ze leefden er ook naar, althans die schijn wilden ze wekken en er zullen ongetwijfeld ook oprechte mensen onder hen geweest zijn. Ze deelden aalmoezen uit aan de armen, weliswaar vaak zo dat iedereen het ook kon zien. Ze spraken ellenlange gebeden uit op de hoeken van de straten om ook maar, zoals de Here Jezus het zegt, door de mensen gezien te worden. Maar zo zagen de mensen dat niet. Die beleefden dat toch wel als heel bijzonder en heel geweldig dat die mensen zo vroom waren, zo goed hun Bijbel kenden, daarnaar leefden. Ze waren hoger in tel dan de Sadduceeën want die accepteerden alleen maar de vijf boeken van Mozes als Woord van God. Die geloofden daarom ook niet in engelen en ze geloofden niet in de opstanding en dat deden die farizeeën allemaal wel. En dat gaf in het algemeen een goed beeld bij de mensen. Als die het woord farizeeër hoorden dachten ze dus aan iets positiefs. Ze wisten ook wel dat daar vreemde snuiters onder rondliepen. In de Talmoed kun je dat ook zien. Dan wordt er weleens met de huichelachtige farizeeër de draak gestoken dus de mensen wisten toen ook wel dat ze niet allemaal deugden. Maar de eerste associatie is positief, één van respect. En als die mensen het woord tollenaar hoorden, nou ik gaf het daarnet al aan, dan konden ze wel op de grond spuwen. Ze konden nauwelijks woorden vinden om aan hun verachting uiting te geven als het ging over tollenaars. Dus, ik wil het niet al te zwart/wit voorstellen maar in zekere zin hoorden die mensen precies het omgekeerde van wat wij horen. Bij farizeeër hebben we negatieve gevoelens, bij tollenaars toch eigenlijk positieve. En de mensen in die tijd, die hadden bij de farizeeën positieve gevoelens en bij de tollenaars negatieve. Dat komt natuurlijk ook wel omdat wij het verhaal intussen al zo goed kennen. We hebben negatieve gevoelens over de farizeeën en die worden helemaal bevestigd door het verhaal. Want deze man die staat zichzelf daar in de lucht te steken en aan het eind staat er: hij ging niet gerechtvaardigd naar huis want wie zichzelf in de lucht steekt die zal worden vernederd. Maar die tollenaar dat was een goeie. Dat was er net zo één als Mattheüs en dat was er net zo één als Zacheüs die zich verootmoedigde voor God, die zijn zonden beleed. Dus wij zijn eigenlijk ook niet erg verrast door de uitkomst want dat ligt in de lijn van wat wij wel hadden gedacht. Die farizeeër deugde niet; nou dat blijkt ook uit het vervolg en die tollenaars, nou, daar is nog best wat land mee te bezeilen en dat blijkt ook uit het vervolg. Maar voor de mensen in die tijd was dit een schokkend verhaal. De farizeeër komt er helemaal niet goed uit en de tollenaar wel. Voor hen was dit een geweldige schok.

Moeten wij dat verhaal nou vertellen om diezelfde schok teweeg te brengen? Nou, misschien zouden we moeten proberen om de namen gewoon te veranderen. Wat zullen we zeggen in plaats van een farizeeër? Laten we een ouderling nemen waarbij we in het midden laten of hij nou refo of evo is. Dat laten we gewoon los maar het is in ieder geval iemand die in de kerkelijke gemeenschap gerespecteerd wordt. In het algemeen als je het woord ouderling of predikant hoort of voorganger dan heb je daarbij positieve gevoelens. Mensen die leiding geven aan Gods kudde. En wat zullen we nemen voor een tollenaar? Nou, laten we een of andere schurk nemen, een drugshandelaar of een vrouwenhandelaar of een pooier. Als wij nou het verhaal zouden horen, als de Here Jezus het zo zou vertellen: er waren twee mannen, de één was een ouderling en de andere was een pooier en die gingen samen naar de kerk. Nou, ik denk dat u dan ongeveer het soort gevoel bij u zou voelen opkomen dat in die tijd de luisteraars ook hadden. Dus precies het omgekeerde dan bij ons het geval is. Want bij die ouderling hebt u positieve associaties en bij die pooier, negatieve. En dan zou u ook vermoedelijk net zo geschokt zijn dat aan het einde die ouderling er zo slecht vanaf komt. Terwijl ik al gezegd heb, het is nog maar de vraag of die man een huichelaar is. Dat kun je eigenlijk niet goed uit het verhaal opmaken. En de dingen die hij beschrijft dat zijn eigenlijk ook allemaal mooie dingen. Wat is er eigenlijk mis aan die man? Vergeet even uw gevoelens die het woord farizeeër moge oproepen. Neem nou maar die ouderling waar ik het net over had. En vraag u af: wat deugt er nou toch niet aan die man? Die man zegt: o God, ik dank U dat ik niet ben zoals de overige mensen. Nou, ik moet u eerlijk zeggen, ik ben ook dankbaar dat ik niet ben als een hele hoop mensen in deze wereld. Ik kan dat natuurlijk heel mooi zeggen: de Here God heeft me daarvoor bewaard. Nou, zo zegt hij dat dan niet. Maar het effect is hetzelfde. Ik heb nog nooit vrouwen verhandeld; ik ben nog nooit pooier geweest; ik handel ook niet in drugs; al dat soort slechte dingen doe ik niet. Ik ben blij dat ik niet zo ben als die mensen. Toch? Bent u toch ook blij en dankbaar voor? En dan staat er ook nog eens een keer wat hij wel doet. Ik vast tweemaal in de week. Nou, ik zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: ik preek vijf keer in de week, dat is toch ook niet mis. Als ik voor Gods aangezicht kom, kan ik ook wijzen op het aantal boeken dat ik heb geschreven of het aantal preken dat ik per jaar houdt of het aantal lessen dat ik geef en al dat soort dingen meer. En daar ben ik echt dankbaar voor. Goed, we hebben dan geleerd dat je daar niet trots op moet zijn. Mijn schoonmoeder zei altijd: je moet niet trots zijn, je moet dankbaar zijn. Ik zei: oma, bent u nou niet trots op die kleinkinderen? Dat zeiden we een beetje om haar te plagen want we wisten wat er kwam. Dan zei ze: nee, niet trots, dankbaar. Maar volgens mij betekent dat precies hetzelfde. Oma was dankbaar maar bent u ook niet een beetje blij dat u niet ben als een hele hoop mensen in deze wereld? En u dankt daar de Here God voor en je zou kunnen zeggen, nou ja, dat doet die man dan niet. Jawel, doet hij wel: o God, ik dank U. Ik dank U dat ik niet ben als die andere mensen. Dat meent hij. Hij huichelt niet. Bovendien moet u goed begrijpen, huichelen doe je tegenover andere mensen. Je doet je mooier voor tegenover andere mensen dan je werkelijk bent. We laten de schone schijn aan de mensen zien. Maar we laten ze niet zien wie we werkelijk zijn. Zoals een boektitel luidt van Bill Hybels: Wie ben je als niemand kijkt? Maar bij de Here God doe je dat toch niet. Iedereen snapt toch dat het geen zin heeft om te proberen bij God een mooi verhaal op te hangen. Deze man geeft geen schone schijn. Alles wat hij vertelt, zal volkomen waar zijn. Hij vast inderdaad tweemaal in de week. Dat kun je de Here God niet wijsmaken want als het niet zo is dan weet Hij dat ook. Deze man doet zelfs meer dan de wet zegt. Dus het is ook nog niet evenzo één, twee, drie een wettisch iemand te noemen want de wet schrijft niet voor dat je twee keer per week moet vasten. Wel dat je tienden moet geven maar deze man doet nog meer. Je zou zelfs kunnen vermoeden dat hij de Here God waarachtig liefheeft. Hij is echt één van de rechtvaardigen. En dat is toch wat we allemaal willen worden? Dat is toch ook wat het Nieuwe Testament ons voorhoudt? De hele Romeinenbrief zou je kunnen omschrijven als een boek dat ons leert hoe wij allemaal een rechtvaardige worden. In Lukas 1 horen we over Zacharias en Elizabeth. In vers 6 staat daar dat zij allebei rechtvaardig waren. En wat hield dat in? Dat zij allebei onberispelijk waren als het om de wet ging. Ze wandelden in de werken van de wet. En dat wordt daar met grote lof gezegd.

Vertel me nou eens, lieve mensen, wat mankeert er aan deze man? Je kunt niet zeggen dat hij huichelt. Je kunt niet zeggen dat hij onwaarheid spreekt. Hij jubelt het ook niet luid; er staat hier in vers 11: hij bad dit bij zichzelf dus hij hoefde ook niet perse door andere mensen gehoord te zijn. Hij zegt het tegen de Here God. En hij is dankbaar voor een heleboel mensen, een heleboel dingen waar u net zo goed dankbaar voor bent en ik in ieder geval wel. Dit is een vreemd verhaal hoor. Het is vreemder dan u denkt want wij hebben het al lang een plekje gegeven waardoor het allemaal precies klopt maar laten we nou eens beginnen te zien dat dit een merkwaardig verhaal is. Goed, die tollenaar dat is dan nog wat anders. Die tollenaar bleef op een afstand staan. Die komt niet zo dicht bij de Here God als die farizeeër durft te doen. En hij wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel maar sloeg zich op de borst. Weet u, het ergste wat die farizeeër misschien doet, is dat allerlaatste wat hij zegt: ik dank U, dat ik niet ben (in vers 11 althans het laatste) als deze tollenaar, die man daar. Misschien is dat hetgeen waarin hij zich het meest verraadt. Als je zegt: ik ben dankbaar, Here God, dat ik geen crimineel ben; dat ik in een goed christelijk gezin ben groot geworden; dat ik bewaard ben gebleven voor een heleboel afschuwelijke dingen waar mensen in komen door het milieu waarin ze groot geworden zijn of ook door de nood uit balans zijn zonder dat ze het eigenlijk wilden. Heer, ik dank U, dat U er mij allemaal voor bewaard hebt. Ik dank U, dat ik een heleboel voor U mag doen. U doet weer andere dingen voor de Heer dan ik doe en dan mag je toch oprecht dankbaar zijn. Maar op het moment dat je zegt: ik ben beter dan die daar terwijl je niets van die persoon weet. Het enige wat je weet is dat hij een tollenaar is. Nou, dat is heel slecht; dat is heel negatief. Alleen, de Here God kent het hart. Als hij een beetje beter op die man gelet had en niet zo met zichzelf ingenomen was, want dat was hij wel, dan had hij gezien dat die man een heel stuk achterbleef. Dan had hij kunnen zien dat die man zich op de borst sloeg. Elke Jood weet wat dat betekende. Bij het kruis van de Here Jezus zie je dat ook dat de mensen zich op de borst slaan. Dat is een teken van rouw, van wroeging, van spijt, van berouw, een teken van smart. Als hij eens wat beter naar die mens gekeken had en zich niet door zijn vooroordelen had laten beheersen dan had het misschien heel anders afgelopen. Dat is met ons ook zo. Wij doen dat bijna de hele dag. Wij maken inschattingen vooral als je hier op zo'n podium staat. Ik kan me best voorstellen waarom mensen er enorm tegenop zien om op een podium te staan. Iedereen kijkt naar je; daar word je al doodzenuwachtig van. Maar bovendien weet je, als je iets van de psychologie weet, als u hier vanavond voor het eerst bent; in de eerste paar seconden dat ik hier ging staan, had u bewust of onbewust een oordeel over mij gevormd. Zo gaat dat. Dat doen wij. Als wij mensen ontmoeten vormen we onbewust onmiddellijk een oordeel. En als dat negatief is, is het heel lastig om daar weer vanaf te komen. Gelukkig vertellen ze het ons niet altijd wat ze van ons vinden want dan werd de wereld helemaal onverdraaglijk. Wij zijn constant bezig mensen de maat te meten. Als u naar een vrouw kijkt met een hoofddoekje en die duidelijk geen kaukasisch type is, geen West-Europees type, dan heeft u al onmiddellijk een plaatje bij haar. U weet helemaal niets van haar af, maar u heeft toch al een heleboel dingen ingevuld. En zeker door bepaalde propaganda, die we niet nader zullen omschrijven, hebt u waarschijnlijk ook nog een negatief beeld over haar. Louter het feit dat iemand een Turk of een Marokkaan is, is al voldoende om een heel negatief beeld te hebben. Ik kom net uit Turkije met mijn vrouw en we hebben daar bijzonder aardige Turken ontmoet. Het is natuurlijk onzinnig om alleen op het feit dat iemand uit een bepaald land komt of van een bepaalde godsdienst is je een oordeel over hem aan te maken. Dit is wel het allerergste: een mens die hij helemaal niet kent, maar waar hij zich boven verheft. Misschien dat hij een hele hoop waarheid zegt, maar denk nooit bij jezelf dat je beter bent dan een ander, want al zou je die ander nog zo goed kennen, kan het nog heel onbillijk zijn: je kent hem nooit goed genoeg. Maar als je die ander helemaal niet kent en alleen maar weet: dat is een tollenaar, dan ben je sowieso al verschrikkelijk onbillijk bezig.

Ik zal u nog een reden vertellen waarom het zo moeilijk is om over deze gelijkenis te praten. Je ontkomt er niet aan om negatief over die Farizeeër te praten. En die tollenaar, die zich voor God verootmoedigt, daar ga ik u direct meer over vertellen, die komt er goed vanaf. Ik kan zelfs die Farizeeër zo zwart afschilderen met al zijn zelfverheffing. Niet huichelarij, maar wel zelfingenomenheid met een enorm gebrek aan kennis. Want als je recht tegenover de Here God staat, moet je jezelf wel verschrikkelijk slecht kennen als je zo over jezelf praat. En dat betekent ook dat je God niet kent, want die twee dingen gaan hand in hand. Calvijn schrijft op één van de eerste bladzijden van zijn institutie over Godskennis en zelfkennis: als je geen zelfkennis hebt, heb je ook geen GOdskennis, dus als je geen GOdskennis hebt, kun je ook nooit tot echte zelfkennis komen. Dat heeft deze man allemaal niet. Maar ik kan zo negatief over die Farizeeër gaan praten, ik kan hem zo in de hoek zetten dat we straks allemaal zeggen: o God, ik dank u dat ik niet zo ben als die Farizeeër. En op het moment dat je dat denkt of zegt, heb je niets van die gelijkenis begrepen. Want het maakt natuurlijk niet uit of je zegt ´dank u dat ik niet zo ben als die tollenaar´ of dat je zegt ´dank u dat ik niet zo ben als die Farizeeër´. Wat zegt de tollenaar? Weet u, het belangrijkste is niet of u als een Farizeeër of als een tollenaar voor de Here God verschijnt. Het belangrijkste is: met wat voor gezindheid in je hart kom je daar, wat heb je de Here God te vertellen. Denk erom, het laatste woord dat de Here Jezus hier spreekt is de sleutel, dat begrijpt u. ´Wie zichzelf verhoogt zal vernedert worden.´ De Here God moet jou verhogen. Als je het zelf doet en zeker tegenover de Here God, dan ken je Hem wel heel erg slecht en dat is, zoals gezegd, omdat je ook jezelf slecht kent. Als je jezelf zo in de lucht steekt, als je jezelf zo verheerlijkt, als je van jezelf zoiets moois maakt zoals deze man doet, dan verhoog je jezelf en dan zul je door de Heer vernederd worden. Deze man wordt niet afgewezen, dat is het belangrijke punt, omdat hij een Farizeeër is, want dat maakt voor de Here God niets uit. Of u vanavond gekomen bent als reformatorisch of als evangelisch of als rooms-katholiek of als Grieks-orthodox of u bent als moslim gekomen. Zelfs als moslim? Ja! Hoe je komt maakt niets uit. Wie je bent van huis uit is niet belangrijk. Wat belangrijk is wie je bent wie je wordt als je oog in oog met God staat. Van de tollenaar zegt de Here Jezus: die man heeft zichzelf vernederd. Wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. Wat betekent dat? Jezelf vernederen. Dat is hier hetzelfde als ´jezelf verootmoedigen´, dat is jezelf klein maken voor God. Als we lezen in Jesaja 61, weet u wel: de Geest des Heeren Heere is op mij, omdat hij mij gezalfd heeft. Dat is één van de eerste dingen die daar staat. Dat is om aan de ootmoedigen het evangelie te brengen. Het evangelie is voor de ootmoedigen. Dat zijn de mensen die zich voor God verootmoedigden. Dat is even een klein verschil. Van de Here Jezus lezen we dat hij van zichzelf zegt nota bene ´Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.´ Dat nederige is hetzelfde als ootmoedig. Soms bijna niet te geloven dat iemand dat van zichzelf zegt, maar van Hem kunnen we het hebben, want we weten dat het zo is. Hij is ootmoedig. We lezen dat ook in Zacharia 9:9 Zie uw koning komt tot u, rijdend op een ezelsveulen. Zachtmoedig en nederig. De Here Jezus was ootmoedig, maar Hij hoefde zich nooit te verootmoedigen. Verootmoedigen betekent dat je eerst te hoog stond en dat je je dan klein moet maken voor God. Dat hoefde Hij nooit te doen, want Hij was al ootmoedig. Wij moeten ons verootmoedigen. Het evangelie is voor de ootmoedigen, dat is voor de mensen die zich verootmoedigen tegenover God. En die worden, zegt het slot van deze gelijkenis, door God verhoogd. Waarin steekt die verootmoediging? De man slaat zich op de borst. Hij durfde zijn gezicht niet op te heffen naar de hemel. Dat slaan op de borst, dat heb ik wel gezegd, dat is een teken van berouw, wroeging, spijt, verootmoediging. Zich klein maken voor God. En dan zegt hij deze woorden: O God, wees mij, de zondaar, genadig. Hier in de Telosvertaling staat dat merkwaardige woordje ´de´ erbij. Weet u nog? De vorige keer heb ik datzelfde verteld. Het is wel merkwaardig dat dat in één hoofdstuk zo is, hetzelfde is in vers 8. Als evenwel de Zoon des mensen komt, zou Hij dan het geloof vinden? Niet: zal Hij dan geloof vinden op aarde, maar het geloof. Dat hebben de vertalers er niet bij bedacht, dat is wat er in het Grieks staat. Er zijn vertalers die het weglaten. En dat ´het geloof´ betekent ´dat geloof van die weduwe´, die dag en nacht die rechter lastig viel totdat ze kreeg wat ze wilde. En zo is het hier ook, er staat een woordje bij: wees mij, de zondaar, genadig. Wat moet je je daar eigenlijk bij voorstellen ´de zondaar´. Zoals die Farizeeer eigenlijk de rechtvaardige bij uitstek is, maar dan iemand die zichzelf in de lucht steekt als een rechtvaardige, zo is deze man volgens zijn eigen woorden de zondaar bij uitstek. Ik weet het, je kunt daar ook weer iets vrooms van maken. Er zijn mensen die zeggen: ik ben de grootste van alle zondaren en meestal zeggen ze daar dan bij: voor mij is er geen vergeving, geen verzoening, want ik ben de grootste van alle zondaren. En dan moet u nuchter tegen die mensen zeggen: sorry, dat kan niet, want dat heeft iemand anders al gezegd dat hij dat was. Paulus zegt van zichzelf in 1Tim 1 dat hij de grootste van alle zondaren is. ´En in mij,´ zegt hij, ´is barmhartigheid geschied.´ Maar je kunt wel van jezelf zeggen, elk mens kan dat zeggen, niet als vrome praat, maar als zelfontdekking door de kracht van de Heilige Geest. Zolang er nog iets in je hart zit van: ja, ik ben wel een zondaar, maar er zijn nog heel wat ergere zondaren dan ik. Nou, dat is op zichzelf altijd waar. De enige die dat niet van zichzelf kan zeggen is namelijk de ergste zondaar op aarde. Dus het is heel makkelijk om van onszelf te zeggen: er zijn er altijd nog erger dan ik. Maar zo´n uitspraak is nooit een teken van verootmoediging natuurlijk. Het betekent dat je jezelf staat te rechtvaardigen. Daar moet ik even naar vooruitgrijpen. De Farizeeer rechtvaardigt zichzelf en dus doet God dat niet. En die andere man veroordeelt zichzelf en hij gaat gerechtvaardigd naar huis. Daar moeten we straks nog op terugkomen, want daar zit een hele rechtvaardigingsleer achter, zo wonderlijk voor de mensen die toen geluisterd hebben. Deze man zegt: ik ben een zondaar bij uitstek. En dan zegt hij iets dat er bijna bij geen enkele vertaling uitkomt. Daarom moet je eigenlijk altijd een vertaling met voetnoten hebben, al moet ik toegeven dat hier in de Telosvertaling er ook geen voetnoot bij staat. Maar het is heel belangrijk wat hier staat: o God, wees mij zondaar genadig. Dat moet u nu even gewoon van me aannemen, en als u het niet gelooft gaat u thuis maar een beetje googlen of het inderdaad klopt, maar hier staat niet het gewone woord voor genade. Het woord voor genade dat we hier vinden, dat kom je tegen bij Paulus, bijvoorbeeld in Romeinen 3: De Heere God heeft Jezus gesteld tot zoenoffer of zoenmiddel en je vindt het in de eerste Johannesbrief: de Heere Jezus is het zoenoffer voor onze zonden. Dat is heel bijzonder, het zoenoffer, dat wat de verzoening bewerkt. Nu moet ik nog een uitstapje maken, want het woord verzoening is in onze Nederlandse taal zeer verwarrend. Wij hebben hetzelfde woord verzoening voor twee heel verschillende dingen. De Engelsen, de Fransen, de Duitsers die hebben dat probleem allemaal niet, want die hebben daar keurig twee woorden voor. Bij de Duitsers ligt het wel dicht bij elkaar: versönung en sünung. Dat is toch verschillend genoeg. Maar als je kijkt naar het Engels: preprisation en reconciliation, dat zijn twee totaal verschillende woorden. En in het Grieks zijn het twee totaal verschillende woorden. Het ene woord, dat we hier niet hebben is het woord voor verzoening tussen mensen en ook verzoening met God. Laat u met God verzoenen, dat is een hele andere gedachte. Het gaat over ruzie tussen mensen met elkaar, mensen moeten zich verzoenen. En als je in onmin leeft met God moet je je met God laten verzoenen. Dat is wat tussen twee mensen weer terug gebracht moet worden, een relatie moet worden hersteld. Van een vijand moet je een vriend, een kind van God worden. Maar er is een ander woord voor verzoening en dat is wat we hier hebben. En dan gaat het niet over verzoening van mensen, dan gaat het over verzoening van zonden. Onze zonden moeten verzoend worden. Ziet u hoe verwarrend het is dat wij daar één woord voor hebben? Terwijl alle talen twee woorden hebben, ook de bijbelse talen. Zonden moeten verzoend worden, dat betekent bedekt worden, uitgewist. Uitgeboet, weggedaan van voor Gods aangezicht. Door het bloed wordt de zonde uitgewist. Zoals je met een gummetje het potloodschrift kunt uitwissen, zodat het niet meer bestaat en je niet meer kunt lezen wat er stond. Zo doet het bloed van Christus dat, het wist de zonde uit. Daarom zegt Paulus in Romeinen 3: God heeft Christus gesteld tot een zoenmiddel. En zo zegt Johannes dat in de eerste Johannesbrief: de Here Jezus is de verzoening waardoor onze zonden worden uitgewist. Dat betekent concreet dat eenieder die een beroep doet op dat zoenmiddel in geloof, in verootmoediging, met belijdenis van zijn zonden, die vindt door het bloed van Christus eeuwige vergeving, eeuwige verzoening. Christus heeft die zonden voor ons gedragen. En dat moeten we goed vasthouden. Een predikant in ons land heeft een tijd geleden zijn predikantenbaan (hoe zeg je dat) eraan gegeven omdat hij zich niet langer aansloot bij de verzoeningsleer zoals die vanouds in de kerk geleerd is. Daar heeft hij een boek over geschreven en dat heeft hij mij toegestuurd om te vragen wat ik daarvan vond. Hij had van mij een boek over de verzoening gelezen, het vijfde deel van de dogmatische reeks en hij was erg teleurgesteld dat ik daarin het traditionele standpunt verkondigde. Maar ik deed dat niet omdat dat het traditionele standpunt is – want daar heb ik niet zoveel mee – ik heb dat gedaan omdat ik dacht dat dat het bijbelse standpunt was. Daar is hij het dus helemaal niet mee eens en dan gaat het over deze belangrijke waarheid, wat onze vaderen noemden: verzoening door voldoening. En of je nou refo of evo bent, daar zijn we het over eens. Er zijn een heleboel dingen waar refo's en evo's het over eens zijn. Dat is mooi, over de verschillen hebben we het een andere keer, maar verzoening door voldoening moeten we vasthouden. En dat klinkt misschien arrogant, maar toen ik het boek even doorbladerde zag ik het al: deze man heeft zich een vooropgezette mening in het hoofd gehaald en nu is hij bezig om alle teksten die over verzoening door voldoening gaan weg te redeneren. Ik weet niet hoe ik het hem ga vertellen, maar daar kan ik nu helemaal niets mee.

Maar nu terug naar de tollenaar. Die vraag, zo bijzonder boeiend. Natuurlijk, het komt erop neer dat hij vraagt om Gods genade, maar wat hij eigenlijk vraagt is: O God, wijs mij een weg dat ik een zoenmiddel vindt dat die vreselijke zonden die ik gedaan heb kan uitwissen. Gods genade komt door deze man, daar vraagt hij ook zelf op een heel bijzondere manier. En dat moeten we goed vasthouden. Wat die dominee uit dat boek probeert te zeggen is, en dat is uit het gewone leven gegrepen, dat kun je je ook wel voorstellen. Mensen vragen dat soms aan ons, moslims vragen dat soms aan ons: waarom moet God bloed zien? God kan toch zo wel vergeven? Als wij dat kunnen als mensen onder elkaar, elkaar vergeven als een ander eerst netjes zijn excuus aanbiedt. Dan hoef je toch niet eerst bloed te zien, geen offer te hebben? Waarom moet dat bij God wel? Liberale christenen vragen ons dat, moslims vragen dat, joden niet. Die hebben ook al iets begrepen van verzoening door voldoening. Want dat is met de offers van het Oude Testament precies hetzelfde. Deze man vraagt niet: Here God, wilt u mijn zonden door de vingers zien? Hij vraagt niet: God, U bent zo'n goede God, U bent genadig, lankmoedig en barmhartig, groot van goedertierenheid? Dat is allemaal wel waar, maar in dat Griekse woord, kijk het maar na als u thuis de mogelijkheden hebt, zit in opgesloten: verschaf mij een middel tot verzoening. Met andere woorden: Gods genade is groot, maar Gods genade, met alle eerbied gesproken, kan geen enkele zonde van ons uitwissen zonder dat hij daarvoor een zoenmiddel heeft, een middel dat onze zonden uitwist. Johannes houdt van die beeldspraak. In Openbaring lezen we dat wij witgewassen zijn door het bloed van het lam. En hij wist natuurlijk best hoe merkwaardig die beeldspraak is. Als je iets probeert te wassen met bloed, heeft u ooit gemerkt dat het daar wit van wordt? Dat is fantastisch, dat wist hij natuurlijk ook. Wassen met bloed, daar wordt het vreselijk smerig van. Maar hij bekommert zich daar totaal niet om. Hij schrijft over witwassen door het bloed van het lam. En zonder dat bloed van het lam gaat het niet. Die tollenaar wist daar natuurlijk allemaal niet zoveel van. Maar die tollenaar wist wel dit: als God mij genade wil geven, dan heeft hij daarvoor – als ik het zo mag uitdrukken – een fundament nodig. Want inderdaad, God kan niet wat wij wel kunnen en dat is zonden door de vingers zien. Met ons hand over ons hart strijken en zeggen: nou ik vergeef het je. God heeft daarvoor een heilig fundament nodig, want God is wel genadig, maar Zijn heiligheid moet voldoening vinden. Dat is het begrip voldoening. De satisfactie, waar de oude theologen het over hadden. Zonder de voldoening is er geen verzoening. Wat die tollenaar eigenlijk vraagt is: Heer, waar is het zoenmiddel waardoor ik met u in het reine kan worden gebracht. Ziet u, die man komt niet als tollenaar, hij komt als een boetvaardige zondaar. Het maakt niet uit, als je als een boetvaardige zondaar tot God komt, hoe groot je zonden ook zijn ... Dat is voor ons moeilijk hoor, want die Farizeeer zit ook in ons. In elk van ons zit die Farizeeer en we zijn er een stuk van ons leven mee bezig om die Farizeeer eronder te krijgen. Die Farizeeer is zeer godsdienstig en zeer wettisch. In de evangelische wereld wordt vaak gesproken over een geest van religie en dat bedoelen ze dan negatief, zij zijn blijkbaar niet religieus. Ik zou liever zeggen een geest van religiositeit, er hangt een wolk van religie, van religiositeit, van godsdienstigheid om je heen zonder dat daarachter een echt verootmoedigd hart zit, een hart dat leeft uit de genade van God. En die religiositeit die kan bestaan uit: twee keer op een zondag naar de kerk, al je godsdienstige verplichtingen vervullen, voor je eten en na je eten bidden, aan het begin van de dag en aan het eind van de dag, keurig je kerkelijke belasting betalen, goed zijn voor je medemensen – ik doe geen vlieg kwaad, zeggen die mensen dan – dat zijn allemaal dingen, goede, mooie dingen die je doet. En soms zijn mensen echt zo onnozel dat ze denken dat ze God daar een groot plezier mee doen. Maar de Here God zegt met de woorden van Spreuken 23: mijn zoon, geef Mij je hart. Het is heel goed als je heel veel geeft aan de Here God, maar God zegt: Ik heb liever jouw hart. Liever heeft Hij natuurlijk allebei, want het is niet zo dat als Hij om ons hart vraagt dat al die dingen er niet toe doen. Natuurlijk wel. Hij zegt: ik wil je hart, waar is je hart? Als we het hebben over een geest van religiositeit dan bedoelen we dat zonder een hart dat ooit warm geklopt heeft voor de Heer. Deze man staat zichzelf in de lucht te steken. Wat vindt God bij deze man waar Hij blij over moet zijn? We hebben dat destijds gezien in de gelijkenis bij de oudste zoon in de gelijkenis van de verloren zoon. Die oudste zoon is dit type. Er valt op die oudste zoon ook niets aan te merken, die man is nooit bij zijn vader weg gelopen. Hij heeft zijn vader altijd trouw gediend, hij zegt zelf als slaaf gediend en dat typeert hem. Als slaaf gediend, want hij heeft niks met de vader. Wat heeft deze man met God? Deze man is met zich zelf zeer ingenomen. Maar dat is nog geen relatie met de Here God. Hij steekt zichzelf in de lucht dat betekend alleen maar dat hij van God zo weinig begrijpt. Denk erom het valt ook niet mee hoor een farizeeër zover te krijgen. Saulus van Tarses moest daarvoor op de grond gesmeten worden door een licht midden op de dag dat helderder straalde dan de zon, dat z,n ogen verblindde waardoor hij drie dagen aan zich zelf werd overgeleverd om na te denken over zijn hele leven, dat volkomen in elkaar gestort was, want hij was ook zo, n farizeeër, en hij was een goede farizeeër. Hij was geen huichelaar, hij kan later zeggen ik heb mijn hele leven een onergelijk geweten gehad. En deze man die zo God diende, die zo vol ijver was, schrijft dat in Galaten 1 meer ijverig in de dingen van God dan z,n leeftijd genoten. Hij zegt niet van zichzelf eigenlijk was ik een heel slecht mens, en het was allemaal huichelen, nee, hij noemt zich de grootste van de zondaren maar niet omdat hij een trouwe farizeeër was maar omdat hij de gemeente van God had vervolgd. Hij kende zich zelf niet. Wat moet het in het leven van deze man geweest zijn toen hij daar plotseling op de grond gesmeten werd en die stem hoorde. Saul Saul wat vervolg je mij? Het is je hard om je verzenen tegen de prikkels te slaan. Dit is de schrik van zijn leven. Saul denkt dat kan toch niet waar zijn Wie is dit? Het is toch niet degene van wie ik denk dat het is. Als dat zo is dan stort op dit moment mijn hele bestaan in elkaar. Maar Hij was het. Ik ben Jezus die jij vervolgd. Ik ken zulke mensen, ik zou ze met name kunnen noemen, ik wil er wel één noemen want hij verteld het altijd in het openbaar dat is Henk Binnendijk. Maar ik zou ook een heleboel andere voorbeelden kunnen noemen maar die kent u misschien niet. Henk heeft echt een carrière gemaakt in de kerk, dat woord verzin ik maar hij heeft ontzettend veel dingen gedaan voor de Heer. Hij was daarin zeer ijverig, hij was een meelevend kerklid, hij heeft de Heer trouw gediend, hij was in allerlei werk betrokken, en dan verteld hij doodleuk ik heb het hem meer male horen vertellen, en toen ik dat zo een paar jaar gedaan had toen ben ik bekeerd. Dus je kunt door een geest van religiositeit bevangen je inlaten met alle christelijke werk, niet een huichelaar, niet iemand die de kantjes er van af loop, toegewijd, maar je heb nog nooit een persoonlijke relatie met de Heer gehad. Je weet niet eens dat het bestaat. Dat is het grootste probleem met zoveel mensen die een geest van religiositeit hebben, ze weten niet eens dat het bestaat. Ze kunnen zich er niet eens wat bij voorstellen. Deze arme farizeeër die hier staat, want ik noem hem natuurlijk, een dood arm mens. Die zit zo vol van zichzelf er is helemaal geen plekje voor de Here God in zijn hart. O Here God wat ben ik tevreden met mij zelf. Hij moet ook wel tevreden met mij zijn. En dat was de Here God niet. De Here God zegt als het ware tegen deze man, mijn zoon geef Mij je hart. En ik zeg dat vanavond tegen u ook, als u ook met zo, n geest van religiositeit behept bent. Geen huichelaar, zeer godsdienstig en daar is op zich zelf niks mis mee, maar die godsdienstigheid is een façade en daarachter hebt u uw hart voor uzelf gehouden, u bent nog steeds van u zelf. En er is er één die ook vanavond tegen u zegt, Mijn zoon, Mijn dochter ik ben niet zo geïnteresseerd in al die boeken die je schrijft of al die lezingen die je houd of al dat mooie werk dat je doet voor Mij, en al die doe dingen. Ik ben niet zo geïnteresseerd in wat je doet. Ik wil jou! Mijn zoon Mijn dochter geef Mij je, hart. Deze man ging niet gerechtvaardigd naar huis, maar het probleem is, bij rechtvaardiging moeten we alweer een soort cultuurschok door maken, want wij denken wij denken bij dat woord helemaal aan de leer van Paulus. Wij kunnen al niet meer over rechtvaardiging nadenken zonder dan we daarbij de Romeinen brief halen en de Galaten brief halen, en we bedenken dan niet dat deze mensen die dat hoorden die Romeinen en Galaten brief niet kenden. Als de Here Jezus zegt, deze man ging gerechtvaardigd naar huis, dan betekende dat, van die twee de farizeeër en de tollennaar was één de ware sadic. Sadic is het joodse woord voor rechtvaardige. De rechtvaardige is niet iemand die leeft in een wereld van uitwendige religiositeit, waarvan de Here Jezus keihard zegt, een witgepleisterd graf, maar van binnen vol doodsbeenderen. Een rechtvaardige is iemand die met zijn hart bij de Here leeft. Een rechtvaardige vind je in psalm 1. Om Uw wet te overpeinzen bij dag en bij nacht. Hier zit de wet. Niet als een juk op je schouders maar in je hart. Psalm 119 hoe lief heb ik Uw wet. De rechtvaardige heeft z, n hart aan de Here God gegeven. Waarom waren Zacherias en Elizabeth rechtvaardige? Omdat ze al die mooie dingen deden? Omdat hun hart de Here toe behoorden. En deze tollenaar is een mens die z, n hart komt geven aan de Here God. Hij weet nog niet van het werk van de Here Jezus maar hij zinspeelt erop door te zeggen Here verschaf mij een zoenmiddel. Waardoor mijn zonden bedekt kunnen worden en neem me aan. En de Here Jezus gaat naar huis en Hij zegt op een schokkende wijze, dwars ingaande door de theologie van Z, n toehoorders. Die man was een ware Sadic. Hoe kan ik u dat vertellen hoe die mensen dat gehoord hebben? Iedereen zou die farizeeër een vroom mens gevonden hebben en niemand zou die tollenaar een vroom mens genoemd hebben. De vrome en de rechtvaardige, dat is in feite in de Bijbel hetzelfde. Deze man is vroom. Waarom is hij vroom? Hij heeft zijn hart aan de Here God gegeven. Hij hoorde de stem van de Here God, dat bedenk ik nou zo, dat is mijn manier om te vertellen wat hier gebeurd. Hij hoorde de stem van de Here God, Mijn zoon geef Mij uw hart Spreuken 23. En hij geeft zijn hart. En dan zegt de Here God, dat is de rechtvaardige. De Here Jezus zegt dat is een echte Sadic, dat is de echte gaziet, de vrome, de vrome mens die word niet in de eerste plaats beoordeeld door alles wat hij doet. Wij leven in zo,n doe samenleving. Je word allemaal beoordeeld op de kennis die je hebt en de dingen die je doet.Vooral Mannen hebben dat nog sterker dan vrouwen. Als ze elkaar proberen uit te horen, wat heb ik voor vlees in de kuip? En elke CV is daar ook op gebaseerd. Dan sommen we op wat we allemaal aan kennis hebben verworven en welke opleidingen we hebben gedaan en wat wij allemaal hebben gepresteerd. Het is een opsomming van onze kennis en onze prestaties.

En achter die CV zit één geweldige vraag, die daarin nooit aan de orde komt en die luid, en wie ben jij nou? En hoeveel mensen, en vooral mannen, denken dat wat ze zijn, uitgedrukt kan worden door alles wat ze hebben gedaan en door alles wat ze hebben geleerd. Maar de Here God blijf zeggen, maar wie ben jij nou eigenlijk? Deze man zegt, ik ben een zondaar, ik ben de zondaar, en die ander zegt, ik dank u Here God dat ik zo,n goed mens ben, U moet wel heel tevreden met me zijn. Ik ben een zondaar. Luister dat is niet de identiteit van die tollenaar hoor! Er zijn sommigen mensen die, ja wij zijn toch wel wonderlijke wezens wij mensen, we schieten altijd door van het ene uiterste naar het andere uiterste. Sommigen mensen vinden daar weer hun identiteit in dat ze zondaren zijn. Die komen nooit verder dan dat. Die blijven staan bij het feit ik ben een arme zondaar. Ze zijn alsof die tollenaar volgende week weer naar die tempel komt en zegt Here God hier ben ik weer, ik ben een zondaar wees mij genadig, en een week later weer en een week later weer. Nee, dit is het uitgangspunt. Dit is het uitgangspunt voor een nieuw leven, niet als zondaar. Je moet beginnen met te weten dat je een zondaar bent, voordat je een vrome word, maar Gods doel is niet om ons hele leven arme zondaars te blijven maar dat we tsadikiem worden, dat we een vrome worden een rechtvaardige worden. En dat kan alleen vanuit de kracht van God. Alleen vanuit de kracht vanuit de Heilige Geest. Maar deze man gaat naar huis als een rechtvaardige. Hij weet dat misschien niet maar als hij thuis kom, dan zegt hij tegen zijn vrouw, wat ben je nou? Dan zegt zijn vrouw, onze vrouwen vragen dat he, die zijn niet zo onder de indruk van alles wat we doen en alles wat we weten, maar ze willen weten wie we nou zijn. En ze helpen ons om daarachter te komen. En dan zegt zijn vrouw tegen hem wat ben je nou? En dan komt hij thuis en dan zegt de tollenaar, ik ben een zondaar. Dat is een fout antwoord. Ja, ik zeg het even heel nadrukkelijk. Dat is niet het goede antwoord. De Here Jezus zegt, hij ging gerechtvaardigd naar huis, oke de kenners onder u die denken aan Luther die zelfs aan het einde van zijn leven nog zei "Simul justus et spectator", tegelijkertijd rechtvaardig en zondaar. Ja, als u daar mee bedoelt dat je tot aan het einde je zondige natuur houdt oke, dat noemt de Bijbel trouwens geen zondaar hoor. In dat opzicht, ja. Een zondige natuur ... rechtvaardig. Hij ging gerechtvaardigd naar huis, niet alleen maar als een ontdekte zondaar. God verklaarde hem rechtvaardig. Paulus was nog niet eens aan het woord geweest, maar de Here Jezus zegt deze man is gerechtvaardigd uit het geloof. Wat geloofde hij dat God goed is. En dat God een zoenmiddel heeft voor zijn zonden en hij geloofde van zichzelf dat hij de zondaar was. En de Here Jezus zegt, zo worden echtvaardige mensen geboren. Ze moeten nog veel leren, hij kan hier niet bij blijven staan dat zei ik net al, je kunt niet je hele leven daar bij blijven staan, je kunt niet je hele leven een baby'tje blijven. Hij moest ook gaan leren als een rechtvaardige te gaan leven. En dat heeft enorme consequenties voor zijn hele tollenaarschap. Daar kon hij niet gewoon mee door gaan. Hij kon niet zeggen van, nou ik ben nu gerechtvaardigd ik kan nu weer door gaan met mijn werk. Nee, alles wordt op zijn kop gezet, dat heeft die andere farizeeër Paulus van Tarses ervaren. Z,n hele leven werd op z,n kop gezet. En van Nicodemus hetzelfde. Toen hij eenmaal met de Here Jezus in aanraking was gekomen, was zijn leven nooit meer hetzelfde. Alles gaat op de schop! Maar je bent een rechtvaardige. En omdat je rechtvaardig ben gaat alles op de schop. Wat een schok voor die toehoorders van toen. Een tollenaar die rechtvaardig is. Ja, zegt de Here Jezus want hij heeft zichzelf vernederd.

Ik kom wel eens christenen tegen, het maakt weer niet uit of ze nou refo of evo zijn, het maakt allemaal niks uit want diep in hun hart zijn mensen heel erg op elkaar lijkend hoor. En ze zijn echt gelovige mensen hoor ze zijn orthodox en ze zijn heel ijverig, en toch denk je bij je zelf en mag ik het nou eens heel reformatorisch zeggen? Zijn ze ooit wel eens zondaar voor God geweest? Ik zal u een heel concreet voorbeeld noemen. Als een mens het nog nooit in zijn leven voor elkaar krijgt om aan een ander excuses aan te bieden. Als een man nog nooit tegen zijn eigen vrouw sorry heeft weten te zeggen, en dan een beetje meer dan dat, belijd wat hij verkeerd heeft gedaan. Als een vader nog nooit tegen zijn kinderen sorry heeft weten te zeggen. Als hij nooit sorry zegt, Als hij altijd zichzelf eruit kletst, als hij altijd zich zelf rechtvaardigt, vertel mij dan eens waarom zou ik moeten geloven dat deze persoon ooit zijn zonden aan God beleden heeft. Het kan zijn, want ik weet niet wat er in de binnen kamer allemaal gebeurd, maar als je nooit je eigen klein weet te maken tegenover je mede mens, als je nooit sorry kunt zeggen, waarom zou ik moeten aannemen dat hij zich wel klein gemaakt heeft tegenover de Here God.

Vandaag hoef je het nauwelijks meer te zeggen maar ik zeg het toch nog maar, je gooit je gezag niet te grabbel als je tegen je kinderen zeg ik ben fout geweest, integendeel ze zullen je misschien nooit meer respecteren dan wanneer je dat durf te zeggen. Dat is nou ook weer niet waarom je het doet, daar doe je het niet voor want dan ben je niet oprecht, maar denk maar niet dat je je gezag te grabbel gooit. Wij leven in een sorry cultuur, ook in de politiek, maar daar betekend sorry niet ik ben echt fout geweest maar daar betekend het ik wil niet de gevolgen van mijn daden dragen. Ik zeg sorry en we gaan over tot de orde van de dag. Dat bedoelde ik dus niet. Als je echt fout bent geweest dan sla je je op de borst en dan maak je je klein voor God en dan ook klein tegenover een mede mens. Dat is één van de dingen waarin je de geest van de religiositeit kan herkennen. Mensen die nooit fouten kunnen toe geven en zo godsdienstig zijn, vraag het u zelf maar eens af hoe makkelijk kan ik toe geven tegenover mijn partner tegenover mijn baas tegenover mijn kinderen tegenover mede broeders en zusters dat ik fout ben geweest .Echt fout ben geweest. En dat je dat ook aan de Here God belijd. Zoveel mensen leven met een hoge dunk. Dit is het laatste woord van de Here Jezus en dit is ook mijn laatste woord hierover vanavond. Jezelf verhogen dat betekend hier jezelf omhoog steken met alles wat je heb gedaan en met alles wat je weet en alles wat je kunt. Maar de Here Jezus zegt, wie ben je nou eigenlijk? Je heb jezelf op een voetstuk gezet maar zo worden geen rechtvaardigen geboren. Je beschouwd je als een rechtvaardige maar het enige waar het werkelijk op aan komt is hoe de rechter je noemt. Het maakt niet uit wat je van je zelf vind het gaat erom wat Hij van je vindt. En het andere, je andere persoon die zich zo diep in het stof buigt, die krijgt als het ware te horen de woorden van Jesaja 57 De Here God woont in het hoge en in het verhevene maar Hij woont ook bij de verbrijzelde van hart. Er zijn twee plaatsen die daar genoemd worden waar God woont, in de hoge en verheven hemel en Hij woont ook bij mensen met een verbrijzeld hart. Dat zijn mensen die zich klein hebben gemaakt voor God. De farizeeër verteld over zijn goede daden maar niet wie hij is, de tollenaar verteld wie die is, de zondaar. En hij vind verzoening. En ook als christen moet je elke keer die plaats weer op zoeken, die plaats van de verootmoediging, die plaats van de kleinheid voor God als je rechtvaardige wil zijn. Het sadic denkt heel gering over zichzelf maar heel groot van God. En ook heel groot van wat God door jou heen kan doen. Denkt erom he Mattheus de ex tollenaar is wel één van de twaalf apostelen geworden, hij is wel de schrijver van dit evangelie geworden, het evangelie bedoel ik van Mattheus niet dit dit is van Lukas. God heeft grote dingen gedaan, die man bleef niet zeggen ik ben een zondaar, ik ben een zondaar, ik ben een zondaar en hij kwam maar nooit verder dan dat, zoals met zoveel christenen het geval is. Die blijven in dat hoekje zitten. God zei je bent een rechtvaardige, de Here Jezus zei je bent een rechtvaardige en ik ga van jou iets moois maken, ik maak van jou een zuil in mijn tempel en dat accepteerde hij. Als je op die lage plaats ben geweest accepteer dan ook dat God zegt en nu ben je een rechtvaardige. Er zijn zoveel goede mensen in dit vaderland die geen zekerheid van het geloof hebben. Die blijven staan waar deze tollenaar staat. Ze hebben nooit het woord van de Here Jezus gehoord, deze ging gerechtvaardigd naar zijn huis. En als je zo klein voor God bent geworden dan zegt God ook tegen u vanavond, je bent een rechtvaardige, je zult nog een hoop moeten leren om ook als een rechtvaardige te leven maar vanaf dit moment verklaar ik jou voor een rechtvaardige. Is daar niet meer voor nodig? Gaat het allemaal zo makkelijk zeggen de mensen dan? Wat is makkelijk? Is dat makkelijk om je zo voor God te verootmoedigen? Je op je borst te slaan?En deze dingen te zeggen? En de laagste plaats in te nemen. Daar is genade van God voor nodig om zo ver te komen. Maar dan zegt God dan ook vanaf dit moment verklaar ik jou voor een rechtvaardige, en ik wil die woorden niet meer horen, ik ben een zondaar ik ben een zondaar, ik ben een zondaar. Dat is uitgepraat tussen ons dat is weg. Je vraagt om een zoenmiddel? Welnu, je zonden zijn onder het bloed van Christus gebracht. Het is voorbij het is afgelopen vanaf nu ben je een rechtvaardige en ik zeg dat vanavond ook tegen u lieven mensen die hier luisteren. En die later naar de geluidsdragers luisteren, ik zeg het tegen je als je op dit punt bent geweest, accepteer dan ook dat de Heer tegen je zegt je bent een rechtvaardige. Je mag leren leven als een rechtvaardige, maar je bent het vanaf dat de Here proclameert dat je rechtvaardig bent. Ga heen naar je huis en wees gezegend.

 

Podcast

Audio RSS Bijbellezingen Willem Ouweneel
Podcast Feed

Poll

Heeft u Bijbellezingen van Willem Ouweneel in Waddinveen bezocht?